Column

Waar zijn honden goed voor?

De hond steelt de show in A Dog’s Heart, voorstelling van De Nationale Opera. Hij is meer het skelet van een hond dan een hond en hij wordt bemand die door drie zichtbare poppenspelers en twee zangers (van wie eentje met een megafoon). En nóg geloven we dat hij leeft. Maar de hond in deze opera, naar de satire Hondenhart (1925) van Boelgakov, wordt pas interessant als hij via een horroroperatie is verbouwd tot man. Nu lijkt hij een mens, maar hij is eigenlijk een hond. Vuil, geil en zelfzuchtig. Een Sovjetburger.

Hoe angstaanjagend reëel die verhonding is geweest, besef ik in de bioscoop, bij de Estlandse film In the Crosswind. Over de door Stalin bevolen deportatie van duizenden inwoners van de Baltische staten. Het gebeurde slinks, fotograferen was strikt verboden. „De Sovjetburgers waren braaf, er is nog geen handvol foto’s bekend”, zegt filmer Martti Helde na afloop. Maar ook in Siberië waren er, als altijd, enkelingen die schrijven en dat weten te verbergen. ‘Het tijdelijke is voorbij’ las Helde in zo’n brief. Het was de sleutel voor zijn film. Zo kwam hij tot de gekmakend uitvoerige tableaux vivants waar In the Crosswind uit bestaat. De natuur beweegt. Wind blaast, blaadjes bewegen, sneeuw valt. De mensen zitten in een vacuüm, met hun pijn, angst, honger, verdriet.

De film eindigt met het woord ‘Holocaust’. De eerste vraag uit de zaal luidt: „Holocaust? Hoezo?” Daar kon je op wachten. De term is gereserveerd voor Hitlers massamoord op de Joden. Helde gebruikte het woord bewust. „De gedeporteerde mannen werden vermoord, de vrouwen verdwenen in de kampen. Ze kregen dagelijks een broodrantsoen en niets voor hun kinderen. Dit was genocide.”

Ik zie de film en denk steeds: iedereen liet dit gebeuren. Waarom? En: het leverde deze prachtige film op. Maar mag ik dat denken?

Vandaar dat ik gulzig Dankzij de oorlog lees, roman van Tomer Pawlicki. Het wervelt rond Pawlicki’s hang-up: „Is de oorlog ergens goed voor geweest?” Hij is de enige niet. Arnon Grunberg schreef zaterdag in deze krant: „De vraag […] blijft reëel: zou er zonder de nazi’s een staat Israël zijn geweest?”

Pawlicki’s hoofdpersoon schrijft zijn oma in Israël dat zijn grootouders en zijn ouders elkaar zonder de oorlog niet getroffen zouden hebben. Oma schrijft terug dat ze van hem houdt, maar: „Jij had niet mogen bestaan. Jij bent een product van systematische massavernietiging.”

Is dat een antwoord? Nee. Het is een principe. „Ik wil de oorlog begrijpen” – dat is eigenlijk de kern van dit boek. En dat gaat niet.