Onderwijs

Veel wetenschapsgeld verspild aan wegwerppromovendi

Onderwijsblog Veel promovendi stoppen door overbelasting en dan wordt het dure onderzoek niet afgemaakt. Weggegooid geld, schrijft Sicco de Knecht.

ANP foto Rick Nederstigt

Vlaamse onderzoekers brachten kort geleden nieuws waar men al tijden voor vreesde: het doen van een promotie gaat gepaard met een uitzonderlijk groot risico op geestelijke gezondheidsklachten. Het is daarom niet verrassend dat in dezelfde studie het percentage promovendi dat voortijdig stopt tussen de 30 en 50 % wordt geschat. Stoppen met een promotie is echter niet alleen een persoonlijk drama voor promovendi, het is ook een enorme verspilling van gemeenschappelijke middelen en talent en er gebeurt weinig om dit probleem op te lossen.

Het is geen makkelijke beslissing om een promotie te staken. Een promotie is van zichzelf al een flinke uitdaging maar zelfs als er echt beren op de weg komen wegen de voordelen van het stoppen niet snel op tegen de nadelen. Een promotieproject is namelijk kostbaar voor de promovendus. Deze moet vaak stevig investeren in zijn project en dat vertaalt zich in vele uren overwerk; voor de klas, in het lab en achter het bureau. Allemaal tijd en inzet die verloren voelen als je de beloning van dit huzarenstukje: de doctorstitel, niet kunt ophalen aan het eind.

Het is eerder een laatste redmiddel om te stoppen dan dat het wordt gezien als ‘gewoon even switchen van baan’. En onder meer om deze redenen zou je verwachten dat er dus niet veel promovendi zijn die voortijdig de pijp aan Maarten geven. Het is dan ook verrassend te lezen in het Vlaamse onderzoek dat wereldwijd naar schatting maar liefst 30 tot 50 procent van de promovendi voortijdig stopt. In Nederland zijn er wel cijfers beschikbaar -één op de drie maakt het niet af- maar de dataset slaat slechts op een beperkt deel, de ‘standaardpromovendi’. Er is nooit goed vergelijkend onderzoek gedaan tussen universiteiten.

Enorm verlies

Dat zo’n aanzienlijk aandeel promovendi voortijdig stopt is ronduit zonde te noemen. Niet alleen omdat een dergelijke beslissing maar al te vaak met persoonlijk drama gepaard gaat, maar ook omdat het een verspilling is van tijd en middelen die de maatschappij vrij heeft gemaakt voor de wetenschap. En daar springt die wetenschap maar slordig mee om.

Veel van het wetenschappelijk onderzoek, naar schatting meer dan de helft, wordt in feite uitgevoerd door jonge onderzoekers – promovendi of post-docs. Deze worden in hun eentje of met een handjevol collega’s op een project gezet. Als de jonge onderzoeker, in feite dus de hoofdonderzoeker, besluit te stoppen dan gaat dit vaak gepaard met een enorm verlies van kennis en expertise en komt het onderzoek piepend en krakend tot stilstand.

Hoe zijn we in deze situatie beland?

Een verklaring daarvoor is dat ons wetenschapsbedrijf in toenemende mate een projectmatige aangelegenheid is geworden. De primaire route om tot ‘output’ te komen (wetenschappelijke publicaties, proefschriften) is het verkrijgen van beurs voor een onderzoeksproject, daar worden promovendi over het algemeen op aangesteld. En het gaat daarbij niet om klein bier, alleen al de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek verstrekt jaarlijks zo’n grove 800 miljoen euro aan onderzoeksbeurzen.

Dit systeem heeft als voordeel dat je geheel toegewijd een dikke vier tot vijf jaar kunt werken aan een onderwerp, met genoeg toewijding en middelen om een verschil te maken. Maar er zijn ook nadelen aan dit systeem. Een van die nadelen is dat deze manier van werken bijzonder veel druk zet op de promovendus (en de begeleider) om de vaak extreem ambitieuze doelstellingen uit de aanvraag – denk aan termen als baanbrekend, excellent en innovatief etc. etc. – te behalen. Voor een categorie medewerkers voor wie dit de eerste echte baan is die ze ooit hebben gehad is dat nogal veel druk.

Collectief overwerkt

Het is dan ook niet verrassend dat de Vlaamse onderzoekers als grootste voorspellers voor de psychische gezondheidsproblemen werk/privé-conflicten, het gevoel van verlies van controle en de hoge eisen van hun baan aanwijzen. Deze aspecten zijn allemaal inherente uitdagingen van een promotie, maar de grote druk om te presteren die voortvloeit uit de competitieve financiering, de instituten en de senior onderzoekers helpt niet bepaald mee om de situatie te verzachten.

Waar dit alles in uitmondt is een aanzienlijk gedeelte van de (jonge) wetenschappers dat collectief overwerkt is. In de eerste plaats omdat ze gedreven zijn in hun onderzoek, maar ook omdat ze niet anders kunnen. En die enorme drive gaat gepaard met grote gezondheidsrisico’s (2 tot 3 keer zo groot als bij hoogopgeleide leeftijdsgenoten) en een fikse uitval van 30 tot 50 procent.

Waarom is deze sector zo spilziek?

Een promotietraject is allereerst een verhaal van veel investeren. Er gaat veel tijd en energie in de training van jonge wetenschappers zitten. In de eerste jaren van een promotie zijn promovendi veelal bezig met het opzetten van hun onderzoeksproject, het opbouwen van een onderzoeksopstelling en zich inlezen in de vakliteratuur. En vaak wordt er naast een fikse tijdsinvestering ook materieel aangekocht om het onderzoek mee te doen natuurlijk.

Het is dan ook algemeen bekend dat de echte ‘pay off’ hem zit in de latere jaren van een promotie, wanneer de promovendus het onderwerp de baas is en de resultaten beginnen binnen te druppelen. Het is dus simpelweg een slechte investering als een promovendus voortijdig stopt. De investering van de geldschieter, de tijd van de begeleider gaan verloren en niet in de laatste plaats loopt de carrière van de promovendus een fikse deuk op.

Onderzoek stopt

Als je soms dacht: ‘dan zoeken we toch gewoon iemand om het werk af te maken’ dan is het teleurstellende antwoord dat dit nu precies is waar de schoen knelt. Omdat de projectmatige bekostiging steeds meer de standaard wordt, en de vaste geldstroom van universiteiten steeds vaker wordt aangewend om deze projecten ‘te matchen’ (de instelling legt geld bij op het externe geld als beloning en om onderzoekers te accommoderen) blijft er weinig geld over voor wetenschappers in vaste dienst.

Wanneer het vertrek van een promovendus een onderzoeksproject noodgedwongen stillegt is er dus niet vanzelfsprekend iemand om dit op te vangen. Het gevolg: verlaten onderzoeksopstellingen, overvolle koelkasten met experimentele monsters en manuscripten die nooit afgemaakt worden.

Je zou dus denken dat een schrikbarend percentage promovendi dat stopt de hoogste prioriteit zou hebben onder academici. Maar opvallend genoeg hebben de meeste instellingen niet eens echt een goed overzicht van het aantal promovendi dat ze aanstelt, laat staan dat ze weten hoe veel mensen er vroegtijdig stoppen – en waarom. Het tegenovergestelde lijkt eerder het geval. Wanneer een promovendus stopt, dan is de gangbare reactie dit met de mantel der liefde te bedekken. Het is een onderwerp waar niet echt over gesproken wordt, laat staan dat er op gehandeld wordt. Het bureau waar de jonge onderzoeker voorheen zat blijft leeg, en men gaat over tot de orde van de dag.

In Vlaanderen is men Nederland dus in ieder geval op een gebied voor: men heeft tenminste een samenhangend overzicht van wat het percentage promovendi is dat stopt en ook krijgen ze een steeds beter beeld van waarom. Dit onderzoek zou dan ook een ‘wake up call’ moeten zijn: promovendi stoppen bij bosjes. De maatschappij, en dus de overheid, zou zich moeten realiseren dat dit net zo goed zijn probleem is als van de promovendi.

Het feit dat het over het algemeen publieke middelen betreft zou genoeg reden moeten zijn om te willen weten wat hier aan de hand is. We moeten beter in kaart brengen hoe het met onze promovendi gesteld is, ook nadat ze zijn gestopt met promoveren. Hopelijk kunnen we er achter zien te komen hoeveel promovendi er in Nederland stoppen en belangrijker: waarom ze stoppen. Ik ben benieuwd wat we te weten komen als we vervolgens ook de ‘waarom’-vraag kunnen beantwoorden.

Sicco de Knecht is hoofdredacteur van Scienceguide en neurobioloog.