Column

Apples buitengaatse geldberg is vooral een politiek probleem

De geldberg van tech-gigant Apple blijft groeien: volgens de jongste kwartaalcijfers heeft het bedrijf nu 256 miljard dollar (235 miljard euro) aan cash gestald buiten de Verenigde Staten. Daar is enige verontwaardiging over uitgebroken, hoewel het bedrag al langer zo hoog is.

Het staat elke onderneming volkomen vrij te doen met het verdiende geld wat haar goeddunkt. Maar de kwestie-Apple wijst wel op de onvolkomenheden van het speelveld waarop internationaal opererende bedrijven werken. Die treden vooral op in de wirwar van belastingregimes en -verdragen die over de globe lopen.

Apple werd in Europa al gekapitteld over de extreem lage belasting die het bedrijf afdroeg, door gebruik te maken van de mogelijkheden die de internationale fiscaliteit biedt. Zo zou over elke miljoen euro behaalde winst uiteindelijk slechts 50 euro zijn afgedragen. In de Verenigde Staten gold tot nu toe een regime waarin de in het buitenland behaalde winst bij thuiskomst alsnog wordt belast. Dat is de reden waarom Apple, maar zeker niet alleen dit bedrijf, weigert die winst te repatriëren. Dat leidt tot merkwaardige taferelen: terwijl er buitengaats een vermogen van een kwart biljoen dollar staat te wachten, leent Apple in de Verenigde Staten zelf met grote regelmaat tientallen miljarden dollars om daarmee dividend uit te keren of eigen aandelen in te kopen. In de afgelopen vijf jaar ging het om zo’n 195 miljard dollar.

Zo staat de geldberg van het bedrijf symbool voor de perverse prikkels van het internationale belastingklimaat. Het ondernemen zelf, en de beslissingen over vestiging en productie, wordt langzamerhand onderhavig aan fiscale overwegingen. Belastingarbitrage verdringt de strategie.

De Amerikaanse regering-Trump overweegt nu om het bedrijfsleven te verleiden het geld toch weer terug naar de Verenigde Staten te sturen, om daar vervolgens een vriendelijk tarief van slechts 10 procent over te betalen. Is dat een beloning voor slecht gedrag? Het valt ondernemingen moeilijk kwalijk te nemen dat zij gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn. Het zijn uiteindelijk staten die samen bepalen wat het internationale belastingklimaat is. Zolang er door hen onderling fiscaal wordt geconcurreerd om vestigingen en geldstromen, verandert dat niet. Nederland kan er zelf van meepraten..

Samenwerking is geboden, zoals in de OESO, de club van industrielanden, om een beter en gelijk speelveld te creëren. Maar het is de vraag of dat uiteindelijk lukt. De gure wind die dezer dagen waait door de internationale betrekkingen, maakt de vooruitzichten er niet beter op.