Column

Latere mensen

Illustratie Anne van Wieren

Ze waren er niet toen de grenzen vielen, toen het vuur ’s nachts,

toen kinderen soldaten werden en je in hun ogen zag

hoeveel marcheren op begraven leek.

Toen de ontploffing haast iedereen omhelsde, verduisterende as,

de armen om elkaar geslagen, bezig aan een droom waarin

elk kind nog vleugels had. Niet toen de halve stad

neerkwam en steeds dezelfde namen klonken,

sleets al van vergeefse moeite.

Toen de ratelende tanks met de vierkante mannen, toen de wind

niet meer ging liggen en elke boom, alsof hij weg wilde lopen,

zijn wortels naar boven bewoog. Toen de bliksem kwam,

de kanteling die alles verschoof, het stampen

van laarzen, sprinkhanend geknaag.

Ze kwamen toen alles al was opgeruimd, bijgelegd en

ingekleurd. Toen alles was gemaakt en iedereen

begraven. Er was niemand om te vragen

wat er was gebeurd.

Ze kwamen na de helft. In gouden tijden.

Er was niemand om hen te benijden.

Behalve, af en toe, zijzelf.

Ester Naomi Perquin

Dichter des Vaderlands