Recensie

Het morele bezwaar tegen dit Holocaustkinderboek

Op bevrijdingsdag gaat de wekelijkse NRC-kinderboekrecensie ook over de oorlog. Hoe hoopvol maken we die?

Het Holocaustkinderboek Sabel van Suzanne Wouda is goed geschreven en daarom te prijzen. Maar een ‘goed’ boek? Uiteindelijk blijft een heikel moreel vraagstuk aan het boek kleven: hoe hoopvol wil je een kinderboek maken, als het over de Holocaust gaat? Wat vertellen we daarover aan onze kinderen?

In kinderboeken is hoop een principekwestie – ik ben nog nooit een kinderboekenschrijver tegengekomen die niet zei dat je over een moeilijk onderwerp uiteindelijk met een dosis hoop moet vertellen. Maar het wordt me te gortig met de hoopvolle moraal van Suzanne Wouda, in haar vierde kinderboek.

Waarom haten ze ons?

Sabel gaat over de Joodse Max, die we volgen op twee afwisselende sporen: er is het verhaal van zijn tijd in Kamp Vught, en er is het verhaal van hoe hij daar terechtkwam, van een Amsterdamse jongen die zijn vrijheid ingeperkt ziet worden, moet onderduiken, gepakt wordt. Dat tweede verhaal vertelt Wouda met een scherpte die je zowel treffend als educatief moet noemen. ‘Papa?’ vraagt Max. ‘Waarom haten ze ons?’ Met zo’n omweggetje toon je snel en doelmatig hoe de Jodenvervolging in Nederland begon – en een tikje sentimenteel.

Maar de ambitie van Wouda is allereerst literair, en niet sentimenteel: vooral de lotgevallen van een rode kater die Sabel heet bepalen de loop van het verhaal. Dat begint op de eerste bladzijde al met een ‘rode flits’, die onder het prikkeldraad van Kamp Vught door schiet: ‘Als Sabel niet wil dat je hem ziet, zie je hem niet.’ Dat zijn goede, slinkse vooruitwijzingen naar een clou die je als (jonge) lezer pas gaandeweg doorkrijgt: Max klampt zich aan zijn kat vast en zoekt onder de andere kinderen in het kamp alvast een surrogaatbaasje, voor als hij op transport zou moeten. Maar – en ik moet voor een volledige beoordeling toch echt die clou verklappen – dat is allemaal verbeelding. Er is geen kat in het kamp; die is achtergebleven op het onderduikadres. De kinderen doen alsof.

Escape van hoop

Wat Wouda daarmee doet, doet sterk denken aan de film La vita è bella van Roberto Benigni. Het leven was in die film zó ondraaglijk (in een concentratiekamp) dat een vader zich wendde tot verzinsels en zo de goede moed er bij zijn zoon in hield. Wouda geeft haar jonge lezers in Sabel ook zo’n escape van hoop. Die moraal stáát er zelfs letterlijk, vlak voor het einde. Dan ‘begrijpt’ Max het ineens: ‘Hoe erg alles ook is, we vinden altijd een oplossing. Als we volhouden en op God vertrouwen, wordt alles weer als vroeger. Of beter zelfs.’

Even los van de verrassende deus ex machina (moet je het godsvertrouwen in de tijd plaatsen of is dit een christelijke bekeringsroman?): moeten we Max’ conclusie zien als een wrange truc om extra dramatiek te bewerkstelligen? Omdat Max denkt dat het wel goedkomt, terwijl hij uiteindelijk in de gaskamer belandt? Sabel geeft vooral de indruk dat de boodschap van hoop niet wrang maar oprecht bedoeld is. De helende kracht van de verbeelding, daar gaat het kattenverhaal voortdurend over. En vader vertelde aan Max immers een parabel over hoe gelukkig de armste man van het land wel niet was – hoeveel tegenslag hem ook trof, hij kalefaterde zich telkens weer op. Dat herhaalde literaire motief onderstreept de hoopvolle moraal: in het concentratiekamp scheen soms de zon. En anders verzon je hem en was hij er ook.

Groot optimisme

Er wás vast hoop onder Joden in concentratiekampen. De mens is tot groot optimisme in staat. Maar om een kind – in een fictief verhaal dat de extreme verschrikkingen van de Holocaust wil uitleggen – nou met zo’n relativering de gaskamer in te laten stappen? Dan sla je als goedbedoelende kinderboekenschrijver wat mij betreft de plank moreel mis.