Cultuur

Interview

Interview

De muzikanten van Soweto Soul: Sizwe Magwaza, Zulu Boy (Mxolisi Majozi), Zethu Joyisa, Phumzile Gameda. Voorgrond: Joep Pelt

Foto Moeketsi Moticoe

Zij spelen de soundtrack van de Zuid-Afrikaanse townships

Soweto Soul

De Amsterdamse muzikant Joep Pelt luisterde als kind graag naar de Zuid-Afrikaanse lp’s van zijn vader. Nu haalt hij de ‘township soul’ naar Nederland.

„JOEP!” Het verweerde gezicht van Lemmy ‘Special’ Mabaso breekt open in een brede lach als de Nederlandse gitarist en radiomaker Joep Pelt het erf van zijn bescheiden huis in Soweto opstapt. Mabaso (1946) is klein van stuk. De boomlange Pelt (1979) moet bukken om hem te omhelzen. De twee leerden elkaar kennen toen Pelt in 2010 een radiodocumentaire maakte over de Zuid-Afrikaanse muziekgeschiedenis. In die geschiedenis speelt de kleine Zuid-Afrikaan een belangrijke rol. Hij is een virtuoos op de pennywhistle (of tinwhistle). In Europa kennen we het eenvoudige fluitje vooral uit Ierse en Schotse volksmuziek, maar in Zuid-Afrika ontstond in de jaren vijftig een compleet nieuwe muziekstijl rondom de schrille tonen van de ‘penny’. Deze muziek heette kwela en Lemmy ‘Special’ Mabaso was de onbetwiste koning.

„Ik ben geboren en getogen in Alexandra, een township in Johannesburg”, vertelt Mabaso. „Mijn drie oudere broers speelden pennywhistle, dus leerde ik het mijzelf ook aan. Samen speelden we op straat in Alexandra. En al was ik de jongste, ik werd al snel de leider van onze groep. Ik had een goed oor. Als iemand een verkeerde noot speelde, hoorde ik dat meteen. Later vormde ik mijn eigen groep, de Woody Woodpeckers, en speelde ik met de Manhattan Brothers. We speelden jazz met veel Zuid-Afrikaanse invloeden.”

Toen kwela in de jaren tachtig minder populair werd, verruilde Mabaso zijn ‘penny’ steeds vaker voor een saxofoon. Als los-vast lid van de legendarische Makgona Tsohle Band, de ‘huisband’ van platenmaatschappij Gallo, begeleidde hij Mahlathini and the Mahotella Queens, lange tijd Zuid-Afrika’s meest succesvolle muzikale exportproduct. Tegenwoordig treedt hij, ondanks zijn gevorderde leeftijd, nog regelmatig op met de Soul Brothers – zeer succesvol in de jaren tachtig en negentig.

Het album ‘Soweto soul’ op Spotify.

Townships

Mabaso is een van de weinige nog actieve vertegenwoordigers van de generatie muzikanten die in de jaren zestig, zeventig en tachtig de Zuid-Afrikaanse popmuziek vormgaf. Die muziek werd de soundtrack van het leven in de uitgestrekte townships rondom Johannesburg, Pretoria en andere grote steden. In deze troosteloze sloppenwijken, een creatie van het racistische segregatiebeleid van het apartheidsbewind, kwamen zwarte Zuid-Afrikanen uit alle windstreken samen: zoeloes, xhosa, tsonga en andere etnische groepen. Allemaal brachten ze hun eigen muzikale cultuur mee, die in de townships versmolt met de populaire Amerikaanse muziek die op lokale radiostations te horen was. Zoals eerder in de Verenigde Staten de trek van zwarte Amerikanen van het platteland naar de steden resulteerde in de elektrische blues van Muddy Waters en John Lee Hooker, zo zorgde de Zuid-Afrikaanse urbanisatie voor de geboorte van kwela en de opwindende, pompende ritmes van mbaqanga (wat letterlijk ‘hutspot’ betekent).

Ik leidde liever een rock-’n-roll-leven, met iedere dag een ander vriendinnetje

Zeventiger Joseph Makwela, elektrische basgitarist

Graceland

Vandaag de dag zijn kwela en mbaqanga op de Zuid-Afrikaanse radio verdrongen door hiphop, r&b en house. Ook in de clubs en op livepodia is deze muziek nog maar weinig te horen — tot teleurstelling van Joep Pelt. De Amsterdamse muzikant luisterde als kind graag naar de Zuid-Afrikaanse lp’s van zijn vader, waaronder de verzamelaar The Indestructible beat of Soweto (de plaat die Paul Simon op het idee bracht om Graceland te maken).

„Mijn pa draaide die plaat helemaal grijs”, vertelt Pelt in een café in Melville, een buitenwijk van Johannesburg. „De snelle ritmes, de gekke geluidjes, de samenzang en de harmonieën, ik vond het te gek.”

Het album ‘The Indestructible beat of Soweto’ op Spotify.

Toen hij in 2010 voor het eerst Zuid-Afrika bezocht, wilde Pelt de muzikanten uit deze ‘gouden periode’ van de Zuid-Afrikaanse muziek opsporen. Wat hij aantrof, schokte hem. Armoede, een ongezonde levensstijl en het endemische geweld in de townships hadden hun tol geëist.

Veel grondleggers van kwela en mbaqanga zijn inmiddels overleden, vaak ver voor hun pensioen. Van de muzikanten die nog in leven zijn, zijn er nog maar weinig actief als muzikant. Slechts een enkeling is rijk geworden van zijn muziek.

Ook zeventiger Joseph Makwela, een andere legende uit de Zuid-Afrikaanse muziekgeschiedenis, hield aan zijn rijke loopbaan geen goudomrand pensioen over. Deels zijn eigen schuld, vertelt hij in zijn kleine huiskamer in Soweto: „Ik heb op duizenden singles gespeeld, maar altijd voor een flat fee, ik ontving nooit royality’s. Ik dacht in die tijd niet veel na over financiële zaken. Een vriend zei: ‘Zorg dat je trouwt en een huis krijgt, een vaste basis.’ Maar ik leidde liever een rock-’n-roll-leven, met iedere dag een ander vriendinnetje.”

Makwela was begin jaren zestig de eerste elektrische basgitarist van Zuid-Afrika. Puur toeval: „Ik begon als gitarist, maar er was veel competitie van andere gitaristen, waardoor ik niet veel klussen kreeg. In een muziekwinkel zag ik een elektrische basgitaar liggen. Zo’n ding had niemand in die tijd. Ik heb hem op afbetaling gekocht en ben als een gek gaan oefenen. Lange tijd was ik de enige elektrische basgitarist van Zuid-Afrika. Op een gegeven moment was er een blanke die elektrische contrabas speelde. Voor een bluesnummer belden ze hem soms. Man, alsof ik niet weet wat de blues is!”

Avondklok

Makwela ontwikkelde een eigen geluid, dat het fundament werd onder mbaqanga. Met zijn vrienden West Nkosi en Marks Mankwane vormde hij de vaste kern van de Makgona Tsohle Band. Samen speelden ze op hits als ‘Orlando Train’ en ‘Sparletta Rock’ – opzwepende, vrolijke muziek waarmee zwarte Zuid-Afrikanen de ellende van het leven ten tijde van ápartheid even konden vergeten.

Ook het leven van een zwarte muzikant was in die dagen niet gemakkelijk, zegt Makwela: „Er was een avondklok, na tien uur ’s avonds mocht niemand meer op straat zijn, dus om na een optreden naar huis te gaan was lastig. Bovendien was muzikant een verdacht beroep. Op mijn identiteitspas, die je altijd bij je moest dragen, stond dat ik tuinman was. Daarom speelde ik liever in het buitenland. Met de groep Hollywood Jazz toerde ik in de jaren zestig door heel zuidelijk Afrika. Tijdens een van die tours strandden we in Zambia. Het geld was op. We moesten noodgewongen een paar maanden verblijven in een ANC-trainingskamp.”

Toen Nkosi en Mankwane eind jaren negentig kort na elkaar overleden (de één door een auto-ongeluk, de ander aan de gevolgen van diabetes) brak Makwela’s hart. Voor muziek was in zijn leven geen plaats meer. „Zij betekenden alles voor mij”, vertelt hij over zijn vrienden. „Ik dacht dat ik nooit meer zou kunnen spelen.”

Het is logisch dat muzikanten met pensioen gaan. Toch zou ik het vreselijk jammer vinden als ze vergeten worden.

Gitarist Joep Pelt (1979)

Totdat de lange muzikant uit Amsterdam zich meldde in Soweto. Speciaal voor Soweto Soul haalde Makwela zijn basgitaar weer uit de koffer. Zijn oude vingers zijn strammer dan in zijn jonge jaren, maar het spelen is hij niet verleerd. Als hij de snaren beroert, klinkt de onmiskenbare sound van mbaqanga. „Joep heeft mij weer opgepept”, lacht Makwela.

Niet vergeten

„Dat muziek van decennia geleden niet meer gedraaid of gespeeld wordt, is op zich niet vreemd”, zegt Pelt. „Popmuziek is voortdurend in ontwikkeling. Ook is het logisch dat muzikanten op zekere leeftijd met pensioen gaan. Toch zou ik het vreselijk jammer vinden als die muzikanten en hun muziek vergeten worden.”

Pelt haalde Makwela, Mabaso en andere grote namen uit Zuid-Afrika’s roemruchte muzikale verleden over om samen met hem de studio in te duiken. Niet uit nostalgie, benadrukt hij: „Ik wil niet de muziek van vroeger reproduceren, zoals Ry Cooder bijvoorbeeld heeft gedaan met Buena Vista Social Club, een groep die hij samenstelde uit oudere Cubaanse muzikanten. Ik wil oudere Zuid-Afrikaanse muziekstijlen als kwela en mbaqanga juist gebruiken als basis voor nieuw materiaal. Ik heb nieuwe nummers geschreven en jonge Zuid-Afrikaanse muzikanten bij het project betrokken. Het leggen van verbanden tussen oudere muzikale tradities en de huidige muziek vind ik interessant. Daarom werk ik ook samen met de Zuid-Afrikaanse rapper Zuluboy [Mxolisi Majozi]. Hiphop en mbaqanga gaan goed samen, maar de muzikanten waren zelf nooit op het idee gekomen om samen te werken.”

Het resultaat van de samenwerking is Soweto Soul, een album waarop Zuid-Afrikaanse muziekstijlen versmelten tot één swingend geheel. Op 10 mei wordt het album gepresenteerd in het Amsterdamse Bimhuis. Een deel van de muzikanten die meespelen op de plaat komt over uit Zuid-Afrika. Pelt kijkt ernaar uit: „We gaan een Zuid-Afrikaans feestje bouwen.”