Deze modeontwerpers nemen de tijd voor één goed kledingstuk

Eén kledingstuk-tegelijk-model Sommige modemerken maken niet meer elk seizoen een hele collectie. “Ik hoef dingen niet meer te presenteren op het moment dat het modesysteem vindt dat ik dat moet doen”.

Foto Maarten van der Kamp

Tussen de dertig- en vijftigduizend euro. Zoveel kostte het modeontwerper Mattijs van Bergen (36) om van ongeveer 35 outfits proefmodellen te laten maken, een show of presentatie te houden, de Parijse agent te betalen. Het laten maken van de bestellingen zat er nog niet bij. Het was een bedrag dat niet terug te verdienen was, met de twaalf verkooppunten die hij op het hoogtepunt had. Dus toen hij na zijn faillissement in 2015 opnieuw begon, wist hij dat hij het anders moest aanpakken. Hij stopte met seizoenscollecties en richtte zich op op maat gemaakte vrouwenmode; hij heeft onder meer jurken gemaakt voor koningin Máxima. Daarnaast brengt hij af en toe een prêt-à-portermodel uit. Afgelopen najaar lanceerde hij het eerste, de jurk Sonia. Gemaakt van restmaterialen uit zijn eigen atelier of van fabrikanten, verkrijgbaar in vier kleurcombinaties en gemaakt in een totale oplage van 51. Om genoeg geld te hebben voor een tweede jurk zou ongeveer de helft verkocht moeten worden. Dat is gelukt, de tweede jurk komt over een paar maanden.

Toen hij nog seizoenscollecties ontwierp, maakten winkeliers daaruit allemaal hun eigen keuze. „Dan liet je er drie van die maken, twaalf van een ander en misschien twintig van een derde, maar het bleven zulke kleine aantallen dat het duurder was ze te laten maken dan wanneer je er vijftig bestelt”, zegt Van Bergen. Ook doordat hij de jurken nu zelf verkoopt, zijn ze veel lager geprijsd dan vroeger: de Sonia kost 500 euro, in een winkel zou dat meer dan het dubbele zijn. Maar het belangrijkste is misschien wel dat hij nu de tijd heeft net zo lang met een ontwerp bezig te zijn tot het echt goed is. „Ik hoef dingen niet meer te presenteren op het moment dat het modesysteem vindt dat ik dat moet doen. De lancering van de eerste jurk was eigenlijk gepland voor net na de zomer, maar omdat ik nog niet helemaal tevreden was, heb ik een nieuw proefmodel laten maken en nog een paar maanden gewacht.”

Een kledingstuk tegelijk

Het modeklimaat in Nederland is niet makkelijk: veel jonge merken houden het maken van seizoenscollecties maar een paar jaar vol. Tegen beroemde merken en grote ketens valt voor de meeste niet op te boksen. Ook behoorlijk wat grotere merken hebben de afgelopen jaren het loodje gelegd: Hans Ubbink, Stills en Turnover, bijvoorbeeld. Voor een merk met een compleet ontwerpteam is het uitbrengen van een kledingstuk tegelijk waarschijnlijk niet rendabel, maar voor een eenmanszaak kan het een behapbare manier van werken zijn.

Schoudertas van het merk Teym van Maxime Cartens.
Schoudertas van het merk Teym van Maxime Cartens.

Bovendien speelt het in op een groeiend onbehagen in de modewereld over de enorme overproductie van de confectie-industrie. „Het moet allemaal snel, snel, snel”, zegt Maxime Cartens (27), die na haar afstuderen aan de modeafdeling ArtEZ werkte als accessoiresontwerper bij Karl Lagerfeld. Daar werkten ze niet zo anders dan bij H&M, waar ze stage had gelopen. „Trends gingen voor functionaliteit. Er was nauwelijks tijd om ontwerpen uit te testen, wat best schokkend is als je bedenkt hoeveel er soms van een kledingstuk wordt gemaakt”, zegt ze. Toen ze zelf op zoek was naar een parka – alle merken hadden er wel een, maar niet de parka die ze zocht voor de prijs die ze wilde betalen – besloot ze drieënhalf jaar geleden om voor zichzelf te beginnen.

Najaar 2015 was het eerste product van haar merk Teym op haar website te koop: een parka, in een mannen- en een vrouwenmodel. Gemaakt van waterdichte Italiaanse stof, in een fabriek in Litouwen die ook werkt voor bijvoorbeeld Acne Studios en uitgebreid proefgedragen door familie en vrienden ( „ik wil dat mijn ontwerpen door iedereen kunnen worden gedragen”). Die lieten weten dat er best minder zakken op konden, en dat bij het vrouwenmodel de mouwen niet al te wijd moesten zijn. Omdat ook Cartens rechtstreeks verkoopt – het seizoen dat ze in de Bijenkorf lag, beschouwde ze als marketing – kan ze hem aanbieden voor 380 euro. Zo’n 400 à 500 parka’s heeft ze verkocht, schat ze. Dat is veel, voor een beginnend merk. Afgelopen najaar lanceerde Cartens haar tweede product, een leren mannen- en een vrouwentas die ruim genoeg is voor een laptop, komend najaar komt ze met een merinowollen trui. „Het heeft iets heel zelfverzekerds om te zeggen: dit is het, en zo blijft het”, zegt ze.

Langzaam een complete gaderobe maken

„Voor mij is de vraag: als ik één T-shirt kan maken, hoe moet dat er dan uitzien?”, zegt mannenmodeontwerper Koen Tossijn (35) . Tossijn begon in 2008 vanuit zijn atelier met op maat gemaakte jeans, en breidde uit met een sportief jasje. Begin dit jaar opende hij met een zakenpartner een winkel aan de Zeedijk in Amsterdam. Er is maar een handvol dingen te koop: een wit en een zwart T-shirt, een donkerblauwe wollen trui en een casual katoenen pak. Over twee maanden komt daar een spijkerbroek bij. Net als Maxime Cartens wil hij langzaam toewerken naar een complete garderobe.

Met prijzen van 90 tot 500 euro liggen Tossijns prijzen ver boven het gemiddelde, maar, zegt hij, dan krijg je wel iets dat „ernstig mooi” is. De trui (400 euro) bijvoorbeeld is gemaakt van wol van het chique Italiaanse merk Loro Piana en wordt gemaakt in de Italiaanse breifabriek waar ook Louis Vuitton en Hermès hun truien laten maken. „Ik zou ze nooit via derden kunnen verkopen, want dan wordt het echt te duur”, zegt hij.

Een voorloper in het één kledingstuk-tegelijk-model is Monique van Heist (44), die al jaren geleden stopte met compleet nieuwe seizoenscollecties omdat ze vond dat er veel te veel kleding werd gemaakt.

Haar uitgangspunt was in 2009 een verzameling van de beste ontwerpen uit de seizoenscollecties die ze tussen 2004 en 2008 had gemaakt. Daar voegt ze hoogstens twee dingen aan toe. Soms, als ze geen idee heeft of nog niet helemaal tevreden is over een ontwerp, voegt Van Heist helemaal niks toe. „Pas als het echt goed is, mag het meedoen.” Met haar ‘basic-dress’, een jurk die bestaat uit een patroondeel, was ze twee jaar bezig,

Haar klanten – Van Heist verkoopt uitsluitend via winkels, 33 zijn het er nu – nemen eigenlijk seizoen na seizoen grotendeels dezelfde kledingstukken af, al varieert ze elk seizoen met materiaal en kleur. Haar bestseller is een legging. Van het twaalf jaar oude, vrij wijde model met laag kruis (210 euro) worden er elk jaar nog 1.200 gemaakt.

Vier keer het Bonne Suit van Bonne Reijn.

Foto’s Maarten van der Kamp
Vier keer het Bonne Suit van Bonne Reijn.
Foto’s Maarten van der Kamp

„Monique van Heist is een mega-inspiratiebron voor mij geweest”, zegt Bonne Reijn, de man achter het Bonne Suit, een uniseks pak dat vooral bij tieners en twintigers een enorme hit is. Reijn, van huis uit stylist, bedacht zijn pak in de tijd dat hij veel muzikanten kleedde. Die wilden vaak een pak aan, maar een goed klassiek pak viel doorgaans buiten het budget dat Reijn ter beschikking had. Een oudere man die hij op straat zag, inspireerde hem tot zijn ‘poor man’s suit’ (170 euro), een variant op het klassieke werkmanspak van dikke katoen.

In 2014 begon Reijn (26) vanuit zijn huiskamer met vijftig witte en vijftig zwarte pakken. Binnen een dag waren ze weg. Inmiddels heeft Reijn meer dan tweeduizend Bonne suits verkocht, in allerlei kleuren en materialen; je kunt zelfs een pak bestellen met een door een Ghanese kunstenaar geschilderd portret van jezelf erop. De meeste pakken heeft hij verkocht aan Nederlanders, via zijn eigen webshop en zijn dit jaar geopende winkel aan de Zeedijk, al hangen zijn pakken binnenkort ook bij het hippe Opening Ceremony in New York en Los Angeles. Vooral in het buitenland ziet Reijn nog mogelijkheden voor zijn pak – hij denkt aan een winkel in Berlijn – maar hij is ook langzaam aan het uitbreiden. Afgelopen najaar lanceerde hij een stoere, hoge schoen. Nu is hij bezig met een tweede pak te ontwikkelen, dat „iets netter” gaat worden. „Om relevant te blijven moet je af en toe wel met iets nieuws komen”, zegt Reijn.