Recensie

Denkbeeldig museum

Het Afwezige Museum

In Brussel organiseert WIELS een expositie over de mogelijkheid van een Europees Museum. Het levert een koor van elkaar tegensprekende, meertalige, jonge en oude kunstenaars op.

Ellen Gallagher: Abu Simbel 2005.

Op een half overdekte overloop hoog boven de huizen hangen vier schilderijen. Die schilderijen lispelen: ‘Kijk naar mij, kijk naar wat ik bied: Brussel op een presenteerblaadje.’ De vier olieverfschilderijen die de Duitse kunstenaar Jana Euler (1981) laat zien op de normaal niet voor publiek toegankelijke één na hoogste verdieping van het torenhoge WIELS in Brussel, zijn nagemaakte omslagen van Duitse reisgidsen voor de Belgische hoofdstad.

Maar er is duidelijk iets uit de bocht gevlogen. De afbeeldingen – een plattegrondje, het laatgotische stadhuis – zijn onscherp. De lay-out is een potpourri, de letters zijn geschilderd in een onleesbaar spijkerschrift. Doe je wat deze schilderijen graag willen – ze bekijken – dan vind je geen raakpunt. De stad blijft een gesloten boek, een grote afwezige.

Non-museum

Ellen Gallagher, Dew Breaker, 2015. Courtesy of the artist and Hauser & Wirth

Dus draai je je om en kijk je naar de schoorsteenpijpen van de negentiende-eeuwse huizenblokken vlakbij, de bloeiende blauwe regens in binnentuintjes, de graffiti en hondenuitlaters. Je kijkt in detail naar wat Eulers omslagen (By its covers 1, 2, 2, 4) ontberen.

Euler stipt op lekker tegendraadse manier aan dat kijken naar kunst altijd ook uitsluiting in zich meedraagt, dat kunst de werkelijkheid lijkt te representeren maar dit natuurlijk mooi nooit doet. Euler stelt daarnaast: kijken kan leiden tot meer en scherper kijken, naar andere dingen die ook belangrijk zijn. Om al die redenen past haar werk perfect in de internationale groepstentoonstelling Het Afwezige Museum, waarmee WIELS – Centrum voor Hedendaagse Kunst – zijn tienjarig bestaan op grandioze manier viert.

Het Afwezige Museum is een beetje een gekscherende titel, en om dat te benadrukken wordt de expositie gehouden op een plek die geen museum is. WIELS mag dan in de volksmond ‘het WIELS-museum’ heten, maar WIELS koopt niet aan en heeft geen permanente collectie. WIELS is een non-museum, een plek die als museum alleen bestaat in onze verbeelding. Maar ach, wat doet de instelling zijn bijnaam eer aan.

Gedachte-experiment

Artistiek directeur Dirk Snauwaert zwaait al tien jaar met zwier de scepter over WIELS. Hij en zijn team kozen niet voor een terugblik, maar voor een pad dat voorbij de muren van de instelling gaat. Het Afwezige Museum is gedachte-experiment en praktische uitwerking tegelijk.

Jo Baer: ‘Tis Ill Pudling in the Cockatrice Den (Là-Bas) 1987.

Om met het gedachte-experiment te beginnen: aan Het Afwezige Museum ligt een speculatieve vraag ten grondslag. Waarom bestaat er in Brussel geen Europees museum voor hedendaagse kunst, überhaupt geen museum voor hedendaagse kunst? Gesteld dat zo’n museum er zou komen, hoe zou dat er uitzien?

Zou er een fancy architect worden aangezocht om de prestigieuze kunsttempel te bouwen? Zou er onderzoek worden gedaan naar de economische winsten die het culturele landmark oplevert? Zou er ogenblikkelijk een begin worden gemaakt met de aanschaf van topkunstwerken en de aanleg van een collectie die de bestaande structuren bevestigt? Zouden de eerste blockbusters in de week worden gelegd?

We weten hoe de hazen lopen: we zagen het in Bilbao, Amsterdam, Londen, Parijs en andere steden. De fundamentele vraag, zegt Snauwaert terecht, wordt op al die plekken vermeden. Die vraag is eenvoudig. Welke inhoud of kennis moet een museum eigenlijk overbrengen? ‘Musea voor hedendaagse kunst,’ schrijft Snauwaert in de catalogus bij de tentoonstelling, ‘kenden nog nooit zo’n grote populariteit, maar toch is hun stem opmerkelijk afwezig in de publieke arena.’

In die publieke arena gist het en het museum van de toekomst zou dit gistende debat moeten integreren in zijn programma. Nieuwe symbolen zouden worden getoond. Discussie zou volop worden gevoerd. Met respect voor de ander en in alle vrijheid. ‘Verbondenheid-in-verschil’ – dat is Snauwaerts streven.

Idealistisch

Mark Manders: Dry Clay Head, 2015/’16. Courtesy of the artist and Zeno X Gallery, Antwerpen. Foto Sergio López.

Het is een mooi idealistisch gegeven, maar nog mooier is dat de staf erin is geslaagd om in de tentoonstelling een goede – nog onaffe – blauwdruk van zo’n toekomstig museum te maken. Want wie denkt: oh gut, dat wordt vast een theoretisch en politiek-correct gedoe daar in Brussel, slaat de plank mis. De tentoonstelling die uitwaaiert over liefst vijf verdiepingen en drie gebouwen, waaronder het schitterend ruïneuze Métropole-gebouw, is een groot koor van elkaar tegensprekende, meertalige, jonge en oude kunstenaars. De deelnemers komen overal ter wereld vandaan en verhouden zich op de één of andere manier tot Europa en Brussel en de hete hangijzers die deze begrippen symboliseren.

Zesenveertig kunstenaars doen mee, en als je van boven, vanaf het dak van Wiels naar beneden afdaalt en je weg vervolgt naar de twee nabijgelegen gebouwen, stuit je op tal van nieuwe ontdekkingen (de pop-opera van Lili Reynaud-Dewar bijvoorbeeld) en goede oude bekenden in een zorgvuldig geënsceneerde en vooral ademende opstelling.

Onze eigen Mark Manders (1968) is fenomenaal op zijn plaats in de verrafelde ruimte van het Métropole-gebouw. Guillaume Bijl (1946) is nog steeds unverfroren actueel met zijn super venijnige, uit 1977 daterende tekstkunstwerk Project m.b.t. kunstliquidatie. Bijls veel jongere landgenoot Francis Alÿs toont een hernieuwd tekstwerk – 1943 – waarin de kunstenaar tweeëndertig keer stilstaat bij de rol die kunstenaars kunnen aannemen in tijdens van crises. ‘Ik denk aan Tatlin die vogels observeert vanuit zijn tuin in Moskou. (…) Ik denk aan Grosz die zijn verleden afzweert in zijn nieuwe thuis in Long Island. (…) Ik denk aan Felix Nussbaum die zich voor zijn buren verbergt in Etterbeek.’

Het mooie verschil tussen Bijl en Alÿs is de hardheid waarmee de eerste in verzet gaat, versus de poëtische zachtheid van het verzet van de tweede.

Er zijn veel kunstenaars die stelling nemen, maar dit gaat in WIELS niet ten koste van artistieke zeggingskracht. Marlene Dumas toont een schitterende reeks olieverven die ze maakte naar aanleiding van de moord in 1961 op de democratisch gekozen Congolese president Patrice Lumuba. De piepjonge Colombiaanse Oscar Murillo (1986) bouwt een complete arena met mensgrote poppen die het indrukwekkende verhaal vertellen van Murillo’s vervolgde vader die vakbondsleider was.

Oscar Murillo, Human Resources, 2016. Foto Carlos/Ishikawa London

Er zijn ook kunstenaars die op conceptuele manier hun onderwerp benaderen. Achter Michel François’ knullige ‘hoefsandalen’ van rubber op een sokkel (Pièces à conviction – sandales vaches uit 2008) gaat het verhaal schuil van Mexicaanse immigranten die, in de hoop om de Amerikaanse grenspolitie te ontwijken, hun schoeisel zo bewerken dat ze in plaats van voetafdrukken de sporen van een koe achterlaten op de grond. De Amerikaanse Ellen Gallagher (1965) onderzoekt hoe een sprookjesachtige onderwaterwereld als alternatief feit kan dienen voor de gruwelijke werkelijkheid van de slaventransporten.

Er zijn ook kunstenaars die aan de andere kant van het politieke spectrum functioneren. Monika Baer (1946) is zo’n kunstenaar. Willem Oorebeek (1953) ook. Luc Tuymans (1958) inmiddels evenzeer. Tuymans toont onder andere drie werken Doha I, II III uit 2016. De doeken tonen een lege museumruimte met een paar schaduwplekken aan de muur. Volgens Tuymans zijn dit de ‘nabeelden’ van de schilderijen die hij in 2015/2016 liet zien in een van de grootste musea van Qatar. De tentoonstelling was een succes, Tuymans werd binnengehaald als grote modernistische meester uit het Westen, aan wie Arabische kunstenaars zich konden spiegelen. Alle sheiks hartstikke blij.

De Doha-schilderijen tonen een witte kubus met muren in fraai lichtblauw en vloeren wit spiegelend. Tuymans’ doeken passen exact in de contextloze bubbel van het westerse modernisme. Ze ogen op deze expositie navelstaarderig en egotripperig, in vergelijking tot de andere werken. Ook dat wordt in WIELS gehoord en besproken. Gaat dat zien.