Interview

Lee Towers, de paus van de Coolsingel

Feyenoord-zanger

Lee Towers krijgt een druk weekeinde, met de herdenking van de moord op Pim Fortuyn en de mogelijke landstitel voor Feyenoord. Hij is het gezicht van de stad, van de haven, van Feyenoord. Man van het volk.

Na het interview wil Lee Towers nog wat laten horen in zijn auto. Hij stapt achter het stuur en zoekt You’ll Never Walk Alone op in de afspeellijst. Hij heeft vijf verschillende uitvoeringen van de klassieker – van ingetogen tot feestelijk. Hij draait de volumeknop richting de dertig, zijn witte Audi A6 trilt. Hij zingt mee, de ogen dicht, de stem voluit. Mensen op straat kijken op.

Zaterdag zingt hij in Rotterdam de meer gedragen, symfonische versie. „Bij Pim”, knikt hij. De herdenking van Pim Fortuyn, die vijftien jaar geleden werd vermoord. Het zijn drukke dagen. Zondag is Towers in de Kuip waar een titelfeest wacht, mits Feyenoord wint bij Excelsior. In dat geval zal hij maandag ook optreden tijdens de huldiging op het bordes van het Rotterdamse stadhuis.

Lee Towers zit in de hoek van restaurant Old Dutch in het centrum van Rotterdam. In pak, als altijd – met pochet. Met zijn kenmerkende bril, met blauw getinte glazen. Hij heeft er voor de zekerheid drie, soms gaat hij er „per ongeluk” op een zitten. „Die bril hoort bij mij. Als ik hem afzet, ben ik het niet.”

Ambassadeur van de haven

Mensen noemen hem hier Leen, zo neemt hij de telefoon ook op. „Met Leen.” Zijn echte naam is Leen Huijzer. Iedereen kent Leen hier, en Leen kent iedereen. Hij komt hier regelmatig, dit is de plek voor zakenmensen en havenbaronnen. Towers is een bekende in dit wereldje van topmannen, als ambassadeur van de haven en erelid van de prestigieuze Marine Club.

Tijdens het gesprek wordt Towers (71) meerder keren emotioneel. De leeftijd is het niet, zegt hij. Hij is van nature gevoelig, als hij over familie spreekt of over zijn levensloop. Hij groeide thuis op met het spreekwoord ‘wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje’. Uitzichtloos, je schikken in je lot.

Hij werd in 1946 geboren, was „een jongetje van niks”, zoals hij het zegt. Het dubbeltje werd goud. Kind van de wederopbouw werd icoon van Rotterdam. Op zijn vijftiende begon hij als leerling-monteur op de scheepswerf Boele Bolnes. Hij werd als zanger ontdekt door Willem Duys. Hij groeide uit tot het gezicht van de stad, van de haven, van Feyenoord. Man van het volk. Hij biedt troost, zorgt voor verlichting, is aanjager van volksvreugde.

Hij groeide op in een arm gezin met zes kinderen, in het dorp Bolnes, onder de rook van Rotterdam. Zijn vader Krijn was van 1888. „Hij had mijn opa kunnen zijn.” Leens moeder Bastiaantje was dertig jaar jonger, ze was aanvankelijk de verpleegster van de eerste vrouw van zijn vader. Krijn werkte als sjouwer bij constructiebedrijf Hollandia, in die tijd geleid door de vader van Ruud Lubbers. Op zijn 68ste ging hij met pensioen, vanwege reuma.

De acht gezinsleden probeerden te leven van zijn AOW-uitkering – onmogelijk. „We leerden met elkaar te overleven”, zegt Towers. „Ik had twee krantenwijken, mijn broers werkten bij de bakker, de melkboer, de slager.” In de zomer, als vriendjes op vakantie waren, gingen ze aardbeien plukken. „Centjes verdienen.” Alles ging naar het huishouden.

Zijn vader, een harde werker, was zwaarmoedig en liefdevol tegelijk. „Als de ijsboer na etenstijd voorbijkwam keken we naar mijn vader en smachtten we of we misschien toch nog een ijsje mochten. Haalde hij weer zijn hand over zijn hart en werden er vier ijsjes van een dubbeltje gekocht, die werden met een stuiver doormidden gesneden. Zo hadden we met zijn allen een half ijsje.”

Hij wijst op de kletskoppen op tafel. Zijn favoriet bij de koffie. „Neem lekker zo’n ding joh, beetje slagroom erbij. Je moet jezelf een beetje verwennen.”

Het gezin was zwaar christelijk, Nederduits Hervormd. Ze gingen op zondag niet naar de kerk in het dorp, die was te lichtzinnig. Thuis werd veel gezongen, psalmen. Of er werd urenlang voorgelezen, uit de Statenbijbel. Zijn ouders keurden zijn aspiraties voor de showbusiness af. Hij moest een vak leren. „Artiesten waren uitschot van de maatschappij, dat was hel en verdoemenis.”

Voetbal was een verboden vrucht

Voetbal was ook een verboden vrucht thuis. Op zondag moest Towers binnen blijven. Rond zijn twaalfde ontworstelde hij zich aan het ouderlijk gezag. „Ik was de op één na jongste, maar ik was de eerste die ontsnapte. Dan ging ik met mijn vriendjes naar de Kuip.”

Geld voor een kaartje hadden ze niet. „We stonden buiten te luisteren, als er een hoop herrie kwam wisten we dat ze hadden gescoord. Na afloop liepen we mee in de stroom fans. Dan had je het toch een beetje meebeleefd.”

Feyenoord werd later een belangrijk onderdeel van zijn présence. Hij werd in 1998 gebeld door de club, die in die jaren worstelde met het hooliganisme. „Ze hadden het idee opgevat om als tegenhanger van de hooligans iets positiefs voor de club en het legioen te bedenken.” In een supportersenquête werd hij gekozen als zanger voor een nieuw Feyenoord-lied. Towers: „Ik vond het destijds absurd en belachelijk. Dat ik een nieuw lied zou maken wat met Hand in Hand Kameraden zou kunnen wedijveren.” Hij zette zich eroverheen in de hoop dat het lied – Mijn Feyenoord – kon bijdragen aan het tegengaan van het hooliganprobleem. Het lied werd een succes. Al blijft Hand in Hand Feyenoords oerlied.

Hij werd bij de huldigingen betrokken. Niemand die een volle Coolsingel zo kan ‘bezingen’ als hij, met zijn machtige, doorleefde stem. In 1999 verscheen Towers voor het eerst op het bordes na een landstitel, voor ruim 250.000 mensen. Bekerwinsten volgden, maar geen landskampioenschap.

Maandag is het mogelijk weer zover. Een telefoontje van Feyenoord was overbodig, zijn komst is vanzelfsprekend. Het enige dat hij moet weten is hoe laat hij er moet zijn. Hij doet het onbezoldigd, als Feyenoord-ambassadeur.

Towers bereidt zich niet specifiek voor op de huldiging. Het gaat vanzelf, op adrenaline. „Ik hoef daar alleen maar te staan, te zingen en dan gaat het los.” Zo gaat het ook als hij vanuit een hoogwerker de Rotterdamse marathon wegzingt – „doe ik al 25 jaar”.

Hij grapt over de overeenkomsten tussen het ‘Urbi et Orbi’ van de paus vanaf het balkon van de Sint-Pietersbasiliek in Rome en de huldiging op de Coolsingel. „De paus staat daar voor een vol plein. Alleen zijn het er daar een paar meer. Je bent toch ook een man van het volk. Liederen worden ook massaal meegezongen. Maar het is natuurlijk niet hetzelfde.”

Minder optredens

Hij maakt nu 42 jaar als Lee Towers muziek, maar zijn stem kent nog geen roestvorming. „Ik heb nog nooit knobbels op mijn stembanden gehad.” Wel is hij gaan minderen in optredens, van jaarlijks ruim driehonderd in de hoogtijdagen naar zo’n honderd nu.

Drie keer per week gaat hij naar de sportschool. „Ik ben nog in topvorm. Ik ben zo sterk als een paard.” Wel loopt hij moeilijk. Gevolg van een rugoperatie, vier jaar geleden, waarbij een zenuw beschadigd raakte.

Hij had het er vorige week over met zijn vrouw: wat als na dit kampioenschap een volgende titel weer achttien jaar duurt? „Dan ben ik er niet meer. Dus dit zou wel eens mijn laatste kunnen zijn. Daarom wordt het een emotioneel moment voor mij.” Hij houdt even in. „Dat ik dit nog mag meemaken.”

„Hé, neem jij nog lekker zo’n kletskoppie. Lekker, joh. Je kan het wel hebben, man.”

Lee Towers staat op. Hij vertelt nog een paar moppen, zijn handelsmerk. Hij loopt naar buiten, zijn auto wordt voorgereden. Een man roept hem in het voorbijgaan toe: „Nog een paar dagen, Leen.”