Column

De kogel voor Keesje Brijde

Vandaag wordt ook Keesje Brijde weer herdacht. Het zal gebeuren op het naar hem vernoemde plantsoen in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam. Daar staat een simpel, klein monument in de vorm van een wit kruis met de naam Keesje. Ernaast ligt onder glas zijn portretfoto en een gedicht over Keesje, geschreven door ‘Rijmelaar’.

Deze dichter was bakker J. Schagen uit de Javastraat in Oost, die Keesje gekend heeft. Hij schreef onder meer: In zijn sjofele dunne kleeren,/ Met een hongerige maag,/ Zoo zag ik hem heel wat keeren./ Ach wat was het nog een blaag./ Kooltjes rapen voor zijn Moeder./ ’t Ventje deed al vroeg zijn best./ En hij was zijn broertjes’ hoeder/ Tot die kogel kwam ten lest.

Daarmee heeft de bakker het drama van Keesje trefzeker samengevat. Op 13 december 1944 ging de 13-jarige Keesje met zijn vriendje Floris Goulooze op zoek naar kolen in de Rietlanden, een rangeerterrein in het Oostelijk Havengebied. Het was hartje Hongerwinter met een groot brandstoftekort, ze zochten kolen die van de goederentreinen waren afgevallen. De Rietlanden was net tot verboden gebied (‘Sperrgebiet’) verklaard.

Keesje had de pech dat een overijverige Duitse militair of Nederlandse landwachter – dat is onduidelijk – hem betrapte en ter plekke neerschoot. Hij werd in zijn nek getroffen en overleed in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Hij werd op de Nieuwe Oosterbegraafplaats begraven in een graf dat allang weer is geruimd. Na de bevrijding hebben twee buurtbewoners het houten kruisje op de plek van de moord neergezet.

Omdat het Oostelijk Havengebied tot een woongebied werd omgevormd, moest het kruisje nogal eens van plek veranderen. Ten slotte belandde het in een plantsoen aan de Panamakade, op het schiereiland Sporenburg, tien minuten lopen van de plaats des onheils. Stadsdeel Zeeburg had het plantsoen eerst het Kees Brijdeplantsoen genoemd, maar op voorstel van een buurthistorica werd Kees in Keesje veranderd – daarin school immers de essentie van de tragiek.

Het is een roerend monumentje, maar toch voelde ik enige teleurstelling toen ik merkte dat Keesje een stuk verderop was doodgeschoten. Dáár zou dat kruisje moeten staan. Geert Mak, las ik later, heeft zich al in een publicatie uit 2002 daarover verbaasd. Ik heb de vermoedelijke plek opgezocht, het is op een onbestemd graslandje voor een groot flatgebouw aan het Rietlandterras, vlakbij de ingang van de Piet Heintunnel; in de verte rijst het Lloyd Hotel op.

Daarna ben ik naar de Benkoelenstraat gegaan, waar Keesje is opgegroeid. Het is een korte zijstraat van de Javastraat in Oost. Keesje woonde met zijn ouders en elf andere kinderen in een van de drie zogeheten Berlageblokken: hoge flatgebouwen, vernoemd naar H.P. Berlage, de architect ervan. Ze zijn fraai van architectuur, maar destijds pover van comfort: klein, geen keuken, maar een spoelhok om te voorkomen dat de mensen in de keuken gingen wonen en de rest onderverhuurden. De woningen waren bestemd voor arme gezinnen.

Een boezemvriendje van Keesje heeft beschreven hoe Keesje aan „bakkie wippen” deed. Met „z’n knipmessie” schraapte hij resten vlees en vet uit karren die van de slager naar het abattoir terugkeerden. Hij sprong (‘wipte’) daarbij van kar naar kar.

Keesje moet een ondernemend jongetje zijn geweest.