Recensie

Bij ons is niets aan de hand

Marjolijn van Heemstra

Deze schrijver, dichter en theatermaker voegt een origineel, prangend en waargebeurd verhaal over haar ‘bommenneef’ toe aan de oorlogsliteratuur.

Illustratie Anne van Wieren

Hoelang duurt een oorlog? ‘Tot de vrede’, suggereert de minnares van Frans van Heemstra nog, een tikje onnozel en een tikje verongelijkt. Het is dan de avond van 5 december 1946 en de voormalige verzetsstrijder heeft die dag een aanslag gepleegd, waarover zijn achternicht driekwart eeuw later een boek zal schrijven. Dat boek is En we noemen hem, de achternicht is Marjolijn van Heemstra. Zij noteert over de reactie van haar oudoom: ‘Hij lachte haar uit.’

Dat is een onheilspellend lachje (want allerminst vredig of vredelievend), maar het zal ook een terechte grijns blijken. Ga maar na: als de oorlog met de bevrijding afliep, hoefden er de afgelopen decennia ook geen bibliotheken over worden volgeschreven. Maar houdt het dan nóóit op? Gelukkig niet: Marjolijn van Heemstra (1981), naast schrijver ook dichter en theatermaker, voegt aan de collectie oorlogsliteratuur een verhaal toe dat origineel, persoonlijk en prangend is.

Er groeit een kind in de buik van het personage Marjolijn van Heemstra, die in deze non-fictie-achtige roman de verteller is. Die jongen wil ze naar oudoom Frans vernoemen. ‘Omdat het houvast geeft’ in een moreel schimmige wereld, zegt ze, en dit verhaal is ‘het meest geruststellende verhaal dat ik heb’. Frans – bijnaam ‘bommenneef’ – is ‘de verzetsheld die een jaar na de oorlog een dodelijke aanslag pleegde op een niet-veroordeelde NSB’er omdat hij niet kon leven met de gedachte dat er geen rechtvaardigheid bestond’.

Wel een beetje naïef, denk je dan: was er nog íéts zwart of wit in de oorlog? Die twijfel groeit als Van Heemstra, 27 weken zwanger, besluit alles over de heldendaad uit te zoeken. ‘Het is alsof de geschiedenis van bommenneef zich als een zeepok aan mij heeft vastgezogen’, schrijft ze verheugd, het verhaal ‘maakt zichzelf kloppend, zorgt dat het rijmt’, juicht ze bijna.

‘En we noemen hem’ is het niet alleen boeiende non-fictie over de haken en ogen aan oorlogsheldendom, maar ook een prangend literair werk

Maar wat je al verwachtte wordt waarheid: de geschiedenis van de aanslag, nota bene op Sinterklaasavond met een bom vermomd als surprise, blijkt niet zo fraai. Ze gaat te rade bij haar adellijke familieleden en loopt op tegen de grenzen van hun herinneringen én de typisch adellijke zwijgzaamheid en verbloemerij. Die waren ook al onderwerp van de autobiografisch geïnspireerde zoektocht naar het bestaansrecht van de adel in Van Heemstra’s debuutroman De laatste Aedema (2012).

Speurtocht

Haar tweede roman En we noemen hem is weer een speurtocht, die zich vertakt langs verre kennissen en in de diepten van stoffige archieven duikt. En oh, wat levert dat een verrassend spannend verhaal op – zelfs een uitgesproken lekker boek. Alleen al om de vloeiende vaart waarmee Van Heemstra schrijft, zonder clichés.

Maar ook de inhoud is een publiekstrekker. Stapje bij beetje, ontdekking na ontdekking, week na week, wordt de geschiedenis ingewikkelder en intrigerender. Want er doemen wezenlijke vragen op. Wie kwamen er verder nog om door dat ‘bommetje’? Was de gedode NSB’er terecht vervolging ontsprongen? Was bommenneef niet gewoon een terrorist?

Het mooie is: halverwege de roman is de mythe wel zo’n beetje ontkracht, en de bommenneef ontmaskerd. Maar dan dreigen verzachtende omstandigheden weer de duidelijkheid in de weg te gaan staan, dan dreigt Van Heemstra een nieuwe mythe te scheppen. Was bommenneef wel amoreel? Moet je begrip hebben voor getormenteerde verzetsstrijders, die na de oorlog ineens geen levensdoel meer hadden? En werd zijn geschiedenis toegedekt uit afkeuring of juist uit schuldgevoel?

Het verhaal gaat dus door. Al die vragen wekken een grote weetlust op. En dan lijkt het ook nog eens om echte, waargebeurde geschiedenis te gaan! Dat voedt de nieuwsgierigheid alleen maar.

Toch sluipen er via de zijdeur ook steeds meer literaire motieven het boek binnen, die het verhaal laten weerklinken en groeien tot iets wat het particuliere familieverhaal ontstijgt. Het planetarium van Eise Eisinga in Franeker bijvoorbeeld: dat overweldigt Van Heemstra en haar vriend, als ze dat in een opwelling bezoeken. Misschien wel omdat het zo’n ideale vereenvoudiging van iets onmetelijks is – dat is tenslotte waarnaar Van Heemstra zoekt.

En ook de zwangerschap is een prachtige tegenhanger van de archievenspeurtocht: hij maakt de zoektocht fysiek verbetener en zwaarder, maar is tegelijk een schitterend symbool. Terwijl in haar buik het klontje cellen groter wordt, alles steeds ingenieuzer vertakt en de baby steeds menselijker wordt, dijt ook het web van de geschiedenis verder en verder uit. Een mens is een web, in archiefvriend Hermans woorden – en als-ie echt is, is de naam Herman een gelukkige toevalligheid, want de hint naar Willem Frederik Hermans is een mooie. Diens ideeën resoneren: hoe dieper je het verleden induikt, hoe meer daar de chaos blijkt te heersen, hoe onkenbaarder het wordt, hoe minder je kunt oordelen.

Maar wíl ze wel oordelen? Die spanning tussen de o zo menselijke neiging om het kwade te verbloemen en het verlangen naar eerlijkheid wordt naar het einde toe steeds voelbaarder, en dat is het ware klapstuk van En we noemen hem. Daardoor is het niet alleen boeiende non-fictie over de haken en ogen aan oorlogsheldendom, maar ook een prangend literair werk over onze verhouding tot de Tweede Wereldoorlog in het bijzonder, en ook tot het verleden in het algemeen.

Was het Marjolijn van Heemstra – personage én schrijver – wel te doen om de waarheid? Ze was toch juist op zoek naar een verháál? Uiteindelijk was Van Heemstra maar één mens aan het maken: een nieuw mens, in haar buik.