Stemmen van herinnering uit Beth Shalom

80plus Joden

Wat houdt Joden bijeen? Die vraag proberen bewoners van het zorgcentrum Beth Shalom te beantwoorden in het boek 80plus Joden. Een voorpublicatie.

Foto’s door Elsbeth Struijk van Bergen

In de Amsterdamse wijk Buitenveldert staat Beth Shalom, het grootste Joodse zorgcentrum van Nederland. In het boek 80plus Joden praten bewoners en betrokkenen over hun leven en over de vraag wat het eigene is van het centrum.

Door ons gedurende drie jaar op dit verzorgingshuis te richten, kregen we ook meer inzicht in het raadsel van de Joodse identiteit in het algemeen en antwoorden op vragen als: Wat houdt Joden, ondanks hun talloze interne meningsverschillen, bijeen? Is het God? Zijn het de feestdagen, de sjabbat en de gebruiken? Is het antisemitisme? Is het de verbondenheid met Israël? Is het humor en zelfspot? Hebben seculiere Joden eigenlijk wel een échte Joodse identiteit? Kortom: Wat betekent het om Joods te zijn? Op deze pagina’s een voorpublicatie, met vooral aandacht voor het leven tijdens de Tweede Wereldoorlog.

‘Ik kwam als enige terug’

Henny Goudeketting (93) woont sinds 1993 in Beth Shalom.

„In 1942 ben ik met mijn neef Samuel Goudeketting getrouwd om aan deportatie te ontkomen. Tevergeefs. Van de hele familie ben alleen ik teruggekomen. Omdat ik in Auschwitz in het experimenteerblok terechtkwam, bleek ik later geen kinderen te kunnen krijgen. Na de oorlog werkte ik op een naaiatelier en hertrouwde ik. Van 1949 tot 1957 hebben wij in Australië gewoond.”

Op de foto een dertig jaar oud mantelpakje uit de Van Baerlestraat met een broche uit de Bijenkorf.

‘Ik ben als baby afgegeven’

Edith Italiaander (74) kwam in 2011 in Beth Shalom.

„Via de illegaliteit ben ik als baby door mijn moeder in mijn kinderwagen op het Amstelstation afgegeven. Vandaar kwam ik terecht op een onderduikadres in Wormerveer. Begin 1944 kwam ik bij pleegouders en vanaf toen is mijn jeugd eigenlijk normaal geweest. Ik dacht namelijk heel lang dat zij mijn echte ouders waren. Mijn ouders en mijn hele familie zijn niet teruggekomen. Mijn biologische moeder en mijn pleegmoeder waren zussen.”

Op de foto onder meer het enige erfstuk van moeders kant, linksboven.

‘Kracht om op te klimmen’

Ab Sijes (96) woont ruim 15 jaar in Beth Shalom.

„Mijn hele leven heb ik bij [modehuis] Gerzon gewerkt. Gerzon was een Joods bedrijf. Mijn ouders en mijn oudere broer Jo zijn gedeporteerd en niet teruggekomen. Ik heb drie jaar ondergedoken gezeten samen met mijn vrouw. Godzijdank heb ik de kracht gehad alle moeilijkheden achter me te laten en op te klimmen tot directeur van alle Gerzon-filialen in Nederland. Toen Gerzon in 1973 sloot, kreeg ik het Joods Nationaal Fonds aan de telefoon. Bob Engelsman. Hij zei dat de functie van directeur vrij kwam en of ik die wilde.”

Op de kleine foto onder meer een kranteninterview.

‘Spanning, veel spanning’

Lammigje (88) en Benjamin (94) Kosses wonen sinds 2007 in Beth Shalom. Benjamin is op 5 september 2016 overleden.

Benjamin: „Eind 1942 kreeg ons gezin de oproep naar Westerbork te gaan. ‘Niet doen’, zei ik, ‘daar komen we nooit meer levend vandaan.’ De boerderij van mijn ouders werd door de NSB-burgemeester gevorderd met alles erin. We besloten toen onder te duiken.”

Lammigje: „In december 1942 kwam Bennie, zo noem ik Benjamin, bij ons wonen. We hadden toen al vier Joodse onderduikers. Later, in 1943, werden het er dertien. Dertien mensen op twintig vierkante meter. Spanning, heel veel spanning.”

Benjamin: „Ik heb de vijf kinderen lesgegeven. Zo hadden de kinderen een bezigheid en ik ook. Daarna gingen de kinderen naar de stal die leeg was. Daar gaf Lammigje ze dan gymnastiek.”

Zo kwam ik bij de NSB op kantoor te zitten, terwijl bij ons onderduikers zaten

Lammigje: „Op een dag las mijn vader een advertentie voor jongste bediende bij de NSB. ‘Daar ga jij naartoe’, zei hij. Zo kwam ik bij de NSB op kantoor te zitten, terwijl bij ons onderduikers zaten. Als er mensen zouden worden opgepakt, kon ik dat doorgeven aan het verzet. In ons dorp dacht men dat ik een moffenmeid vras. Als ik naar de avondschool ging, trokken jongens me vaak van de fiets en sloegen me bont en blauw.

„Ons baby’tje is geboren in de oorlog, op 10 december 1944. We noemden haar Henny. Als ik met haar in de kinderwagen buiten kwam, zeiden vrouwen tegen mij: ‘Mooi kind, maar wel een echte Duitse kop.’”

Lammigje: „Na de oorlog wilde ik na alles wat er met Bennie en zijn familie gebeurd was, Joods worden. Maar de orthodoxe opperrabbijn Tal wilde daar niet aan meewerken. Bennie is toen zo boos geworden dat hij tegen Tal zei: ‘Nou. dan zijn jullie mij ook kwijt!’ Ik ben achttien jaar geleden bij de Liberaal Joodse Gemeente Joods geworden.”

Op de foto onder meer de grootouders van Lammigjes vader (boven) en de foto van Lammigjes en Benjamins (linksonder) bruiloft op 8 mei 1945, „met onze baby, genomen aan de achterkant van de boerderij. Met mijn ouders, mijn zus, de Joodse onderduikers en het echtpaar dat voor de bonkaarten zorgde.” De boerderij staat op de foto erboven.

80plus Joden (€ 19,95) verschijnt op 16 mei bij uitgeverij Amphora Books.