Column

Obama als zakkenvuller

Dat zal Barack Obama veel pijn hebben gedaan: het recente hoofdredactionele commentaar in zijn geliefde krant The New York Times over de manier waarop hij zich na zijn presidentschap verrijkt. De krant verwoordde iets wat aan menige Obama-bewonderaar de laatste tijd moet hebben geknaagd.

Mij begon het al op te vallen dat Obama en Michelle na zijn aftreden steeds in allerlei exotische, exquise oorden werden aangetroffen, culminerend in een verblijf op het jacht van miljardair Richard Branson, met wie hij naar hartelust ging kitesurfen. En waarom ook niet, bedacht ik meteen, ik had het niet helemaal van hem verwacht, maar mócht hij even na acht jaar afzien in het Witte Huis?

Toch komen achteraf ook die tripjes in een schriller daglicht te staan nu bekend is geworden dat Obama megabedragen vraagt voor publieke optredens. Die 65 miljoen dollar voor hun boekendeals zal iedereen het echtpaar gunnen, maar 400.000 dollar voor een spreekbeurt voor een Wall Street-investeringsbank en hetzelfde bedrag voor een bijeenkomst met tv-adverteerders?

Geen wonder dat Obama nu om de oren wordt geslagen met citaten uit andere tijden. Zo zei hij in 2009, zijn eerste presidentsjaar: „Ik ben geen president geworden om een stel stinkend rijke Wall Street-bankiers te redden.”

The NYT noemt het ontmoedigend dat een president met een moreel kompas als Obama hetzelfde doet als al die andere presidenten vanaf Gerald Ford (en met uitzondering van Jimmy Carter): cashen bij het bedrijfsleven. Kan hij het geld niet beter aan zijn stichting of andere goede doelen geven? En heeft Hillary Clinton al niet spijt genoeg gekregen van haar optredens voor het bedrijfsleven?

„De Democratische Partij heeft geen behoefte aan zo’n voorbeeld”, schrijft de NYT. „Zoals al uit de presidentsverkiezing bleek, heeft de traditionele partij van de arbeiders het contact met hen verloren. Uit een poll bleek dat tweederde van de kiezers, inclusief bijna de helft van de Democraten, vindt dat de partij te ver afstaat van de zorgen van het Amerikaanse volk.”

De kritiek op Obama doet sterk denken aan de verwijten die Tony Blair en Wim Kok kregen na hun terugtreden als regeringsleider. Kok had als premier de megabonussen in het bedrijfsleven „excessieve zelfverrijking” genoemd, maar als ING-commissaris stemde hij ermee in. Blair zette een financieel imperium op dat alleen al aan vastgoed 20 miljoen pond waard is. Rechtse politici zullen daar nooit verwijten over krijgen, linkse politici kunnen gemakkelijker worden beticht van hypocrisie.

„Links lullen, rechts vullen”, luidt de kritiek van rechts in zulke gevallen. Niet ten onrechte, al klinkt er wel enige jaloezie en calvinistisch moralisme in door. Maar ik moet toegeven dat ook ik even moest slikken toen ik voor het eerst van de zakelijke manoeuvres van Blair, Kok en nu Obama hoorde. Ze dalen opeens in je achting, het is alsof je een zwakke kant van hen ziet die je niet had verwacht.

Op zulke momenten krijg ik altijd enig heimwee naar Joop den Uyl. Die was niet te beroerd om na zijn premierschap weer gewoon Kamerlid te worden; een carrière buiten de politiek, laat staan in het bedrijfsleven, kwam niet bij hem op. Zijn vakanties bracht hij op de camping door. Kitesurfen met Frits Philips? Dat was niets voor Joop.