Opinie

Hallo, Anousha

White privilege

Veroordeel Hallo, witte mensen niet om de titel, betoogt Walt van der Linden. Daarvoor is de aanklacht te belangrijk.

Anousha Nzume in debat met VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra. Beeld: Pauw

Hallo, witte mensen. Volgens Volkskrant-columnist Hassan Bahara schuilt er „wrok” achter de titel van Anousha Nzumes nieuwe antiracismeboek. Zijn collega Elma Drayer spreekt van een „product uit het giffabriekje dat identiteitspolitiek heet”. Is zo’n provocerende titel nog wel functioneel, vraagt Özcan Akyol zich af in de Nieuwe Revu.

Provocerend of vriendelijk, het is maar waar je zelf voor kiest, denk ik dan. Misschien is het ze gelukt, heb ik een dikkere huid gekregen. Zo’n titel prikkelt me niet (meer). Ik ben wit. Kleine moeite om een eventuele ondertoon straal te negeren. Hallo, Anousha!

Misschien moeten we wel helemaal ophouden met het bediscussiëren van boektitels (of van dummy-exemplaren, zoals Sylvain Ephimenco doet in Trouw). Toen Gloria Wekkers Witte Onschuld bestaat niet verscheen, las ik meer artikelen over die vier woorden, dan over de tienduizenden in haar boek. Arnon Grunberg en Elma Drayer presenteerden variaties op het idee, dat Wekker in wezen voor een notie van collectieve schuld pleit. Een huidskleur tot erfzonde verklaard.

Terwijl de oplettende lezer binnen een pagina of twintig toch wel door moest hebben dat ‘onschuld’ hier in wezen neerkwam op voorgewende naïviteit, als basis voor het afwijzen van verantwoordelijkheid. Na jaren studeren, lesgeven, denken en schrijven voltooi je als emeritus hoogleraar je magnum opus. Vervolgens mag je in debat over een verkeerde interpretatie van je titel.

Gefaseerd verloop van toe-eigening

Akyol vermoedt dat het de toon is, waardoor weldenkenden weigeren te erkennen dat er door de antiracisten „waarheden worden verkondigd”. Dat excuus heeft, denk ik, zijn geldigheid inmiddels verloren. Het hele discours en bijbehorende begrippenkader afwijzen, dat is (geveinsde) naïviteit – felle toon of niet.

Exemplarisch is De nonsens van culturele toe-eigening, een column van Leon de Winter in De Telegraaf. Dit begrip, beter bekend als cultural appropriation, gaat over het ‘lenen’ van elementen uit een andere cultuur. Komt de lener uit de dominante cultuur, dan kun je dat als ‘jatten’ zien. Nzume wijdt er een hoofdstuk aan. Nonsens, aldus De Winter. Het begrip culturele toe-eigening „wil van een organische synthese iets kwalijks maken”.

Je hoeft echt niet zo heel goed te kijken om te zien dat er wel degelijk negatieve aspecten zitten aan dat ‘organische proces’. Ik zou me bezwaard voelen om Vietnamese loempia’s te verkopen. Dan ontneem ik Vietnamezen een inkomstenbron door hun cultuur te exploiteren. Evenmin heb ik waardering voor het dragen van een groene keffiyeh, een Palestijnse sjaal, als fashion statement. Je ontdoet het symbool van een gemarginaliseerde groep van zijn betekenis.

Lastig is dat de toe-eigening vaak gefaseerd verloopt. Die keffiyeh is allereerst een symbool van Palestijnen, vervolgens droegen anderen het uit ‘solidariteit’. Via activisten en kunstenaars belandde de sjaal in subculturen. Uiteindelijk kreeg een ontwerper het lumineuze idee hippe varianten te produceren. Zo verschuift de betekenis geleidelijk van een vrij Palestina naar Pepsi-rebellie. Onwenselijk allicht – maar de tussenstappen zijn misschien zo fout nog niet. Het zou anders liggen als de modeontwerper direct bij de Palestijnen had ‘geleend’. Dan kun je gemakkelijker spreken van kwalijke appropriation.

Mix van parodie, zelfspot, bewondering

Culturele toe-eigening heeft ook positieve kanten. Net als De Winter heb ik er geen probleem mee als witte jongens elkaar homies en G’s noemen. Zo’n reproductie is een complexe mix van parodie, zelfspot, maar toch zeker ook bewondering. Het betekent dat het bewustzijn en de ervaring van de zwarte Amerikanen die ze nadoen de oceaan is overgestoken. Dat gaat hand in hand met empathie. Vaak ook aanleiding om de achtergronden van een cultuur te onderzoeken. Nzume stelt dat het tegenovergestelde gebeurt, maar licht dat nauwelijks toe.

Ander voorbeeld: de dansbeweging dab, bedacht in de achterbuurten van Atlanta, kwam via de hiphop de popcultuur binnen, om uiteindelijk zelfs door Willem-Alexander te worden uitgevoerd. Dat kan worden opgevat als een gebaar van solidariteit met de jeugd. Vooral die met een migratieachtergrond. Het overnemen van een cultuuruiting werkt hier verbindend.

Nzume deed, anders dan De Winter, wél haar huiswerk. Daarom is het teleurstellend dat ze geen ruimte laat voor nuances. Ze illustreert cultural appropriation aan de hand van een aantal geslaagde (Döner bij Donnies – opeens hip met witte jongens in de keuken) en minder geslaagde voorbeelden (twerken op Beyoncé - ik bepaal zelf wat ik met mijn billen doe, dankjewel), en basta. Van „een poging tot dialoog”, die Arnon Grunberg aankondigt op de achterflap, is weinig te merken. Nzume schrijft ons liever de wet voor. Bahara en Akyol krijgen gelijk. Hallo, witte mensen is doordrenkt met balsamicoazijn.

En toch. Nzume en andere antiracisten brengen complexe thematiek op een soms wat wrokkige en ongenuanceerde manier naar de massa. De Winter en andere columnisten menen dat het aan hen is om die kennis bij voorbaat tot totale nonsens te verklaren. Nou, dat is niet zo. Dus als ik een kant moet kiezen, is de keuze snel gemaakt. Hallo, Anousha!