Column

Dag van eenheid werd bron van conflict

‘Ons volk is vandaag één in zijn piëteit richting de vele, vele duizenden landgenoten, die sneuvelden of vermoord werden in de strijd om de vrijheid.’ Dagblad De Tijd schreef dit in 1947, bij de tweede officiële Dodenherdenking. Zeventig jaar later zorgt deze herdenking niet direct tot eenheid van het volk. Weken van tevoren worden de messen geslepen voor het jaarlijkse oorlogje over de vraag: wie herdenken wij precies? Alleen de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, of ook bijvoorbeeld de recent omgekomen vluchtelingen, zoals theoloog Rikko Voorberg dit jaar tot veler razernij voorstelde?

Een blik in de krantenarchieven leert dat die verdeeldheid zo oud is als de Dodenherdenking zelf. Maar in de naoorlogse jaren stond een andere vraag centraal: niet zozeer ‘wie herdenken we’ – dat was, zo kort na de oorlog, nog helder – maar ‘wie horen bij de herdenkers’.

De communistische krant De Waarheid publiceerde in 1949 een brief van een boze lezer die aanstoot had genomen aan de herdenkingsspeech van PvdA-Kamerlid Frans Goedhart. Die had de Russische bevrijders niet genoemd en zo de communistische Nederlanders uitgesloten van het herdenken.

Een brievenschrijver in De Telegraaf wond zich er in 1951 over op dat de herdenking begin mei plaatsvond. Toen waren de Nederlanders in Japan nog helemaal niet bevrijd! Waren zij soms geen deel van het volk?

Het debat ging ook over wie er niet bij hoorden. Op 4 mei 1952 kon men pas na 9 uur ’s avonds naar de film, maar een echte herdenker deed zoiets natuurlijk niet, schreef een lezer in De Telegraaf. De bioscoopgangers hadden waarschijnlijk niet zoveel geleden in de oorlog: ‘Mogelijk hebben zij er de voordelige kant van ondervonden, evenals de bioscoopdirecteuren, die in bedoelde jaren hun theaters met succes hebben geëxploiteerd.’

De communisten hadden ook zo hun ideeën over wie de echte herdenkers waren. In elk geval niet de voorstanders van een Europese Defensie Gemeenschap, waaraan de Duitsers ook zouden deelnemen. In 1953 schreef De Waarheid: ‘Het was een ergerlijke vertoning, dat de voorstanders van de EDG aan een aantal officiële herdenkingen deelnamen en huichelachtige toespraken hielden.’

Die dag van eenheid werd dus een bron van conflict – wat dat betreft is er in zeventig jaar niks veranderd. Het Algemeen Handelsblad had in 1954 wel een verklaring voor ‘dit typisch Nederlandse proces van versplintering’: ‘De Nederlanders wilden [tijdens de oorlog] zichzelf zijn en blijven. Zij willen dat opnieuw. Wat toen tot een verbonden eenheid leidde, leidt vandaag tot een verscheidenheid.’