‘Het is geen kwestie óf het geweld weer losbarst in Algerije, maar wanneer’

Verkiezingen

Donderdag zijn er parlementsverkiezingen in Algerije. Het land lijkt een baken van stabiliteit in een onstuimige regio. Maar onder de oppervlakte sluimert de onvrede. „In Algerije lukt niets.”

Verkiezingsposters in de hoofdstad Algiers Foto Reuters

Op de vuurtoren van Tipaza, een ruïnestadje aan de Algerijnse kust, is een boodschap voor de lokale hangjeugd gekalkt: ‘Hier niet drinken.’ Eronder verraden glasscherven en platgeslagen blikjes hun ongehoorzaamheid. De vuurtoren en de omliggende golfbrekers zijn hun ontmoetingsplaats. Hier wachten zij op een klusje of verzetje. Maar vooral op het tergend langzaam verstrijken van de uren.

„Zie je dat?” Salem, een twintiger in verschoten spijkerbroek en driedaags baardje, haalt zijn handen door zijn dun geworden zwarte haar. „Ik word kaal. Van de zorgen.” Dit jaar hoopt hij af te studeren aan de universiteit van Blida. Daarna vreest hij hier zijn dagen te moeten slijten, tussen de andere hittistes – ‘muurleuners’, zoals ze in Algerije worden genoemd.

„Het enige wat ik wil is een normaal leven”, zegt zijn vriend Tarik. Voor hem begint de tijd te dringen; hij is de dertig al gepasseerd. „Ik wil werken, trouwen, kinderen. Om dat voor elkaar te krijgen moet ik het land uit. In Algerije lukt niets.”

Af en toe klust hij bij in de visvaart, met een beetje geluk is er een partij drugs in omloop. Maar het levert weinig op, lang niet genoeg om een eigen gezin te kunnen onderhouden. Tarik woont daarom nog altijd thuis, bij zijn moeder en zusjes.

Volgens het Arab Human Development Report van de Verenigde Naties is werkloosheid een van de grootste problemen voor de Arabische wereld. Algerije, qua oppervlakte het grootste land van Afrika dat donderdag een nieuw parlement kiest, vormt daarop geen uitzondering: het land zakt steeds verder weg in een economisch moeras. En dat terwijl het een paar jaar geleden nog de goede kant op ging: de grote olievoorraad onder de Sahara bracht goed geld op, samen met de gaswinning goed voor ruim 95 procent van de export.

Maar nu de mondiale oliecrisis haar vierde jaar nadert, komt de bodem van de eerder goedgevulde staatskas in zicht. Aangekondigde bouw- en infrastructuurprojecten zijn tot nader order afgeblazen en dit tjaar stijgt de belasting op vrijwel alle fronten. De takachouf, bezuinigingen, treffen met name de Algerijnse jeugd: tweederde van alle werklozen is onder de dertig jaar.

Tweederde van alle werklozen is onder de dertig jaar

De onvrede zit diep in Algerije. Toch is van een massale opstand geen sprake. Zelfs in 2011, toen de ene na de andere Arabische leider bezweek onder de druk van straatprotesten, bleef in Algerije een echte revolutie uit. „We hadden onze mislukte Lente al gehad”, verklaart Hacen Ouali, politiek commentator voor de Franstalige oppositiekrant El Watan in de hoofdstad Algiers.

Dat was in de herfst van 1988. Net als nu ging het land gebukt onder een economische crisis en stond de bevolking op gespannen voet met de regering. Een betoging die vijfhonderd mensen het leven kostte dwong het Nationale Bevrijdingsfront, aan de macht sinds de onafhankelijkheid in 1962, de eenpartijstaat open te breken.

Maar toen het Islamitisch Heilfront in 1991 een overweldigende meerderheid haalde bij de parlementsverkiezingen, greep het leger onmiddellijk in. De islamitische partij werd ontbonden en de toenmalige president afgezet. Wat volgde was een golf van terreur die de hele jaren negentig overspoelde. Het zogenoemde Zwarte Decennium maakte naar schatting meer dan 150.000 slachtoffers.

‘A Very Dirty War’, documentaire uit 1998 van tv-zender ABC Australia:

De angst voor herhaling zit nog zo diep, dat een volksopstand tot nu toe geen kans van slagen had. „Kijk naar wat de opstanden in de Arabische wereld hebben gebracht”, zegt Ouali. „Kijk naar Syrië, naar Libië. Natuurlijk kiezen de Algerijnen voor stabiliteit.”

Beheersbare onvrede

Bovendien kon de regering de portemonnee trekken wanneer er onrust dreigde te ontstaan. Toen in 2011 woedende burgers de straat op gingen, wist zij de zaak snel te sussen door eerder aangekondigde prijsverhogingen terug te draaien en ambtenarensalarissen te verhogen.

Foto Reuters

Zo maakte het regime potentiële dreigingen zorgvuldig onklaar, inclusief de islamitische partijen. Deze zijn opgenomen in de gevestigde orde. Moskeeën en imams worden gefinancierd door de staat en staan daarmee direct onder hun gezag. „Alles is te koop, ook vrede”, zegt Ouali. „Zolang onvrede beheersbaar blijft, hoeft niets te veranderen.”

Maar hoelang is die onvrede nog af te kopen nu alle seinen op rood staan? Net als eerder in de jaren tachtig zijn alle ingrediënten voor een nieuwe crisis aanwezig: economisch falen, een gedesillusioneerde bevolking en een wanhopige politieke elite die krampachtig aan de macht vasthoudt.

Er is vrijwel geen Algerijn die denkt dat president Abdelaziz Bouteflika (80) daadwerkelijk het land bestuurt

Er is vrijwel geen Algerijn die denkt dat president Abdelaziz Bouteflika (80) daadwerkelijk het land bestuurt. Sinds een beroerte in 2013 verschijnt hij zelden in het openbaar en verblijft hij regelmatig in het buitenland voor behandeling. Toch wist hij bij de presidentsverkiezingen in 2014 moeiteloos een vierde termijn binnen te halen.

De Algerijnse president Bouteflika op posters in Algiers. Foto Reuters

Achter de schermen woedt een machtsstrijd tussen het politieke establishment, de veiligheidsdiensten en het leger. Maar wat er precies gaande is, is onduidelijk. ‘Le Pouvoir’, zoals de onbekende machthebbers worden genoemd, is in nevelen gehuld. Aan de buitenkant zou je dat niet zeggen: er is een parlement, een rekenkamer, een constitutionele raad en een waaier aan politieke partijen. „Eén grote façade”, zegt politiek commentator Ouali. „We weten niet wie bepaalt en wie gehoorzaamt.”

Af en toe duikt er wat op over het ondergrondse gekonkel; er zou driftig worden gezocht naar een nieuwe machtsbalans voor als Bouteflika komt te overlijden. „Het Nationale Bevrijdingsfront vecht net als Bouteflika tegen de dood”, zegt Ouali. „Nog even, en ze blazen hun laatste adem uit. De grote vraag is, wat gebeurt er dan?”

Roedel wolven

In Tipaza haalt Tarik zijn schouders op. Hij weet niets van politiek. Zij zijn er nooit voor hem geweest, waarom zou hij er dan mee bezig zijn? „Het maakt niet uit wat we doen, we weten toch al wie wint”, zegt Salem, lurkend aan zijn zoveelste sigaret. In tegenstelling tot Tarik volgt Salem de ontwikkelingen goed, maar er is geen serieuze tegenbeweging waarbij hij zich kan aansluiten. Zijn woede uit hij daarom op Facebook, waar hij de machthebbers vergelijkt met een roedel bloeddorstige wolven die het land aan stukken scheurt.

Laatst had hij het er nog over met zijn grootvader, die tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in de jaren vijftig als mujahedeen tegen de Fransen vocht. „Hij is net zo verbitterd als ik”, zegt Salem. „Dit land had alles om zichzelf opnieuw uit te vinden. Maar wat zien we daarvan terug? We eten, we slapen, we wachten. Voor ons is dit geen leven, maar overleven.”

Spook van de oorlog

Aanhanger van het Nationale Bevrijdingsfront (FLN). Foto Reuters

„We moeten ervoor waken dat defaitisme onder jongeren niet omslaat in radicalisme”, waarschuwt Dalia Ghanem-Yazbeck, politiek analist bij onderzoekscentrum Carnegie en gespecialiseerd in jihadisme in de Maghreb. „Algerije is omringd door fragiele staten als Libië en Mali. En ook in eigen land zijn er terreurgroepen waar ze zich zo bij kunnen aansluiten. De overheid houdt ontevreden jongeren nu nog onder de duim, maar hoe slechter het gaat met het land, hoe groter de verlokkingen. Als alle zekerheden wegvallen kan dit jongeren in de armen drijven van extremistische groepen, die ze wél een stem geven, een raison d’être.”

Daarmee rijst ook een ander probleem: deze generatie heeft niet of nauwelijks meegemaakt hoe snel onvrede kan omslaan in onrust, en onrust in oorlog. Het spook van het verleden waart nog altijd door Algerije. Maar voor hoe lang nog? Ghanem-Yazbeck ziet het somber in:

„Algerije zit nog altijd in dezelfde cyclus van geweld. Het is geen kwestie óf het weer losbarst, maar wanneer.”

In Tipaza begint na uren in de zon de aanliggende vismarkt behoorlijk te ruiken. Rondom de vuurtoren wordt het drukker. Tarik knikt naar een paar smoezende jongens op een bankje. „Die maken vast plannen.” Revolutionaire plannen? Nee. Althans, nog niet. Aan de overkant van de Middellandse Zee lonkt Europa.

De migratieroute via Turkije en Griekenland is al tijden het gesprek van de dag. En ja, ze weten dat het akkoord dat de Europese Unie vorig jaar met Turkije sloot om de migranten buiten de deur te houden, standhoudt. „Als je genoeg geld bij je hebt, is alles mogelijk”, weet Tarik. Ruim een jaar geleden maakte hij vanuit Turkije de oversteek naar het Griekse eiland Samos. Maar nog voor hij Athene bereikte werd hij gesnapt en gedeporteerd. Nu maakt hij zich op voor poging twee.

„Kijk ons nou.” Salem, die droomt van een nieuw leven in Frankrijk, slaat het tafereel met gefronste wenkbrauwen gade. „Onderschat niet wat verveling met een mens kan doen.”