Recensie

‘Liever blijf ik laagbijdegronds’

Wim Brands (1959-2016)

Hij meed dikke woorden en gaf zijn associaties ruim baan. Brands’ dichtwerk is voorbeeldig bezorgd.

‘Stel nooit een vraag waarop je het antwoord al weet.’ Dat was het adagium van Wim Brands als interviewer. De stelregel stond garant voor oprechte nieuwsgierigheid, en die bepaalde de kwaliteit van Brands’ radio- en tv-programma’s. Dat hij ook gedichten schreef was niet algemeen bekend. In de poëzie leek hij jarenlang op de achterste rij te zitten, als ‘een jongen tevreden dat niemand / wat hij maakt zal zien en horen’. Zo omschreef hij het zelf monkelend bedeesd in een van zijn vroegste verzen. Die bescheidenheid was onterecht, blijkt nu uit de kloeke bundeling van zijn Verzamelde gedichten. Ook daarin stoelt de kwaliteit op een volstrekt open blikveld.

Bij leven nemen dichters vaak afstand van hun beginwerk. Ik vraag me dan ook af of Wim Brands zelf zijn debuutbundel Inslag (1985) zou hebben opgenomen. De samenstelling van zijn verzameld dichtwerk was in handen van Monique Edelschaap en Thomas Verbogt, en zij kozen voor een overzicht van álle bundels en een ruime keuze uit de ongebundelde gedichten. Ook in die laatste afdeling zitten gedichten waarvan je betwijfelen kunt of Wim Brands (1959-2016) ze zelf nog zou hebben uitverkoren. Er was immers ook een reden waarom ze niet werden gebundeld. Maar laat geen misverstand rijzen: de samenstellers hebben het werk voorbeeldig bezorgd. Daardoor is de ontwikkeling van Brands’ dichterschap nauwlettend te volgen.

Kenmerkend is de ‘zoekende’ stijl, De verzen zijn als het ware tastend geschreven, wat het verloop onvoorspelbaar maakt. Daarbij was Brands geen associatie te wild – maar hij verwierp hij het hoogdravende, meed dikke woorden. In zijn eerste bundel al formuleerde hij dat als credo in het gedicht ‘Poëzie’.

Ik haat de dweper die over de maan
dat rustpunt hoog aan de hemel schrijft

Liever blijf ik
laagbijdegronds

Registreer hoe een gespierde zwemmer
naar de weerspiegeling duikt

Het besef dat de maan dan niet
hetzelfde blijft

Dit is zeker niet Brands’ beste gedicht, maar het zegt precies wat hij nog dertig jaar na zijn debuut als poëtisch principe voor ogen hield. En de slotregels tonen zijn nuchtere kijk op het ogenblik.

Verwondering en mededogen klinken tussen de regels door, en dikwijls zet de werkelijkheid de droom een hak

De tegenstelling tussen platteland en stad bleef twaalf bundels lang een indringend onderwerp. Op zijn best was Brands wanneer hij zijn ongemak erover in een portret op papier zette. Moeder, vader en ander familieleden, metromensen, personages in de ‘Open stad’, elk is kritisch liefdevol in woorden ingelijst. En ook dieren wist hij trefzeker neer te zetten. Zoals de bok in zijn tweede bundel Koningen, de gehavende (1990) of de giraffe in Ruimtevaart (2005). Brands’ portret van die langhals is ook een mooi voorbeeld van zijn ongebreidelde associatievermogen.

De giraffe komt van Neptunus.

Hij daalde af op een lange,
snelle roltrap.

De giraffe kan goed dansen. Vraag alleen nooit
naar de naam van een dans,
dan wordt hij boos.

De giraffe is overigens ook verantwoordelijk
voor negentig procent van wat we in spiegels zien.

Zo losjes was Brands niet altijd, maar ook in zijn andere gedichten is de toon toch constant relativerend. En steevast ook worden er raadsels getoond en vragen gesteld, niet beantwoord.

Vanaf Hoger dan de dakgoot (1993) wordt het werk bij tijden verhalend. Breeduit in de cyclus ‘Een oog toe in de rimboe: een vertelling’ in Zwemmen in de nacht (1995). Van 7 uur 54 tot 0 uur 7 beschrijft die achtdelige reeks een schijnbaar willekeurige dag in het bestaan van een lyrische ‘hij’. De vertelling laat zich echter niet samenvatten, en dat is vaak zo in de verhalende poëzie van Wim Brands. Daarin gelden, denk ik, dezelfde principes als in de kijkkastjes van Joseph Cornell en de ‘storyboxes’ van Len Shelley. Brands verwijst naar beiden in zijn poëzie, en zoals in hun doosjes is het raadsel in zijn verzen belangrijker dan de plot. Dat bevestigt, aan het eind van de verzamelbundel, zijn prozagedicht ‘Alsof ze samen waren, wat verdween’. In een van de zestien ‘vuurstenen’ daarvan beschrijft hij hoe hij als hij in bed lag soldaten door de dorpsstraat hoorde lopen. ‘Ze spraken Frans. Ze spraken luid want ze waren moe en op weg naar de stad over het water / De grootvader van de grootvader had ze gezien, het waren soldaten van Napoleon. Hij had geprobeerd met ze te praten. Het verhaal werd vaak verteld, daarom kon de jongen de soldaten nog steeds zo goed horen,’

Mededogen

Dat de lichtvoetigheid in Brands’ oeuvre verraderlijk is behoeft geen betoog. Het werk toont het zelf op alle fronten. Verwondering en mededogen klinken tussen de regels door, en dikwijls zet de werkelijkheid de droom een hak. Steeds ook is er het verleden, dat telkens weer verwerking vraagt. De vader speelt daarin een onontkoombare rol. De werking daarvan heeft Brands schijnbaar argeloos trefzeker verwoord in ‘De jas’:

Maar eerst is er een oude jas Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud.

In gedachten trek ik voor het eerst
die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.

Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie
voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.

‘Waar ga je heen?’ ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’

Zo simpel kon Wim Brands het onder woorden brengen, maar de eenvoud kwam vast niet vanzelf. Uitgeverij Van Oorschot zette drie sterren op het omslag van zijn Verzamelde gedichten. Dat is te zuinig, vind ik. Brands was een meer dan vaardige taalsmid.