Cultuur

Interview

Interview

Foto Ans Brys

‘Er is geen goed of fout’

Jeroen Olyslaegers Deze Vlaming schreef een roman over een politie-agent in Antwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog waarin goed en fout betrekkelijke begrippen zijn. ‘Ik zie literatuur als een vorm van perverse magie.’

„Daar”, wijst Jeroen Olyslaegers, terwijl hij stilhoudt op een straathoek, „bij dat bakstenen huis belt dus die politieagent aan. Er is een razzia gaande. De Duitsers doen het vuile werk, de politie zet de straten af. Maar deze agent gaat een stapje verder, door aan te bellen. Waarom hij dat doet weten we niet. Een joodse man doet open en snijdt zijn eigen keel door. Ze stappen binnen en vinden zijn gezin, ook dood.”

De agent maakt proces-verbaal op. Dat document werd, vertelt Olyslaegers, „verticaal geklasseerd”, wat Vlaams is voor: weggelegd op de stapel waar verder nooit meer iemand naar kijkt. Behalve dan historicus Herman van Goethem, die het enkele jaren geleden ontcijferde, samen met een groep studenten én de ook uitgenodigde Jeroen Olyslaegers.

Lees ook de recensie van En we noemen hem van Marjolijn van Heemstra: Bij ons is niets aan de hand

„Dat is dus dáár gebeurd.” Hij draait zich om en wijst naar een met klimop overgroeide gevel aan deze kant van de straat. „En ik woon hier. Ik schrijf daarboven. Ik kijk naar dat huis. Snap je? Hoe hard kan een boek aan je deur kloppen?”

Jeroen Olyslaegers (1967) schreef de roman WIL, over een politieagent in Antwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog, en deze scène is een van de aangrijpendste. WIL is een oorlogsroman over het foute politiekorps, maar vervalt niet in een strijd van goed versus fout, hoewel het daar wel voortdurend over gaat. Olyslaegers brengt menselijk handelen in beeld, met een bijna gekmakende nuance en dubbelzinnigheid. WIL, zijn vijfde roman, verteld in rijk, theatraal Antwerps, is zijn eerste echt grote succes. Maandag kan het de Libris Literatuur Prijs winnen, zondag de Vlaamse tegenhanger ervan: de Fintro Literatuurprijs.

We wandelen door de joodse buurt in het centrum van Antwerpen, op voorstel van de schrijver, die onderwijl wijst wat er ooit was en nog is. Zo treden we in de voetsporen van hoofdpersonage Wilfried Wils, politieagent in oorlogstijd. We lopen de route van één van zijn dagen: als hij een woedende meute volgt. Mensen die net een antisemitische propagandafilm hebben gezien, bij de uitgang van de bioscoop stokken en knuppels aangereikt krijgen en koers zetten naar de synagoge.

Daar aangekomen verheft Olyslaegers zijn stem: „De synagoge werd permanent bewaakt door de politie, de hele oorlog lang, tegen vernielingen. Tegelijk hadden die agenten op de avond van een razzia lijsten met namen van de joodse mensen die ze moesten tegenhouden. Zie de absurditeit: de synagoge bewaken en tegelijk op joden jagen!”

Jeroen Olyslaegers: ‘Ik probeer boeken te schrijven die je ideologische firewall uitschakelen’. Foto Ans Brys

Olyslaegers, bekend in Vlaanderen als links activist, veroordeelt niet in zijn roman. Hij laat Wils als oude man terugkijken op de oorlogsjaren, er aan zijn achterkleinzoon over vertellen, verantwoording afleggen. Hij spaart zichzelf niet, maar laat ook zien: het is zo gegaan en dat was niet onlogisch. Door Wils te laten spreken, dus door de ‘dader’ aan het woord te laten, laat Olyslaegers de lezer zelf een moreel oordeel vellen – al gaat dat niet eenvoudig.

Het boek viel in de smaak bij zowel zijn linkse activistenvrienden als bij de Vlaams-nationalistische burgemeester van Antwerpen, Bart De Wever, die het op televisie een van de vijf boeken noemde die zijn leven veranderd hebben. Een compliment dat Olyslaegers aanvankelijk bevreemdde, omdat De Wever ooit het enige raadslid was dat zich verzette tegen een gemeentelijke spijtbetuiging, ook namens de politie, voor de medewerking aan razzia’s.

„Mijn boek is bedoeld als potentieel bewustzijnsverruimend”, zegt Olyslaegers. „Ik probeer boeken te schrijven die je ideologische firewall uitschakelen. Zodat het boek echt binnenkomt, en de nodige schade of plezier veroorzaakt. Het is soms in het leven moreel noodzakelijk dat je ergens een grens trekt, maar het geeft wel tunnelvisie, hè.”

Over de Tweede Wereldoorlog wilde u niet moreel oordelen?

„Er is in de praktijk geen afgebakende lijn tussen goed en fout. Er zijn verschillende gradaties van collaboratie en daarbij komt nog dat politieagenten in 1942 juist bij het verzet gaan, als ze voelen dat de oorlogskansen keren. Van twee wallen eten – je kunt dat vanuit je zetel moreel verwerpen, maar dat heeft totaal geen zin. Dan glipt de waarheid weg. Het is een verschrikkelijk theoretische benadering.”

Dat is inderdaad de afweging die je als lezer voorgeschoteld krijgt: het verschil tussen theorie en praktijk. Hun handelen is menselijk en begrijpelijk, maar alleen als je er geen moraal op loslaat.

„Zij wisten niet wat morgen zou brengen. We leven nu ook in tijden vol veranderingen, waarvan we nog niet weten waarop ze uitlopen. De generatie van onze kleinkinderen gaat een moreel oordeel uitspreken over wat wij hebben gedaan om de wereld te redden of mede te vernietigen. Dat voelt nu al onrechtvaardig.”

Moet je nooit morele oordelen vellen?

„Natuurlijk wel. Maar het probleem ermee, en ook het tragikomische ervan, is dat er een verschil is tussen theorie en praktijk. Theoretisch kun je zeggen: dit is verkeerd. Maar dan bén je eens die politieagent, die zijn baan moet behouden om voor zijn gezin te kunnen zorgen, die zich staande wil houden tussen zijn collega’s. Wat doe je dán?”

Ja, een duivels dilemma. Maar moet je dan maar de morele wetten breken? En is het niet te gemakkelijk om de wet buitenspel te zetten?

„Dat bezwaar is absoluut geldig, maar het is weer een theoretische reflectie. Je moet eens in die situatie staan, je moet het je zelf voorstellen. Stel: jij, journalist, wordt bedreigd in je bestaan. Zeg je dan niet: dat kleine stukje zal ik nog wel schrijven, dat kan geen kwaad? Je wéét dat het een hellend vlak is, maar je maakt jezelf wijs dat je scherp bent. Waarom zouden we zo arrogant zijn om te zeggen dat die politieagenten niet op exacte dezelfde manier dachten? Niet allemaal toch: sommigen deden graag mee…”

We komen bij de plek waar verhuiswagens ooit de doorgang geblokkeerd moeten hebben – Vlaamse verhuiswagens, die betaald werden voor het vervoer van joodse bezittingen. Hier moest de politie een razzia uitvoeren, als straf van de nazi’s: het gerucht ging dat joden gewaarschuwd waren. „Er zijn getuigenissen van agenten die gewaarschuwd hebben. Als je die nuance vergeet, raak je de essentie kwijt. Dat de politie uit ál die mensen bestond. Er zijn er altijd een paar die niet meedoen, en er zijn mensen die wél meedoen. Er zijn altijd individuele afwegingen.”

We lopen weer. „Het neemt niet weg: als een agent besluit om joodse mensen een verhuiswagen op te helpen, al doet hij het vriendelijk en beleefd, dan is hij moreel totaal fout. Je kunt eeuwig begrip opbrengen, maar je mag één ding niet vergeten: het blijft fokking fout. En dat maakt het zo verscheurend.”

Ineens vertelt hij over zijn grootvader. Die heeft in de oorlog gecollaboreerd. Is in 1944 gevlucht, is er later voor veroordeeld. Geen misverstanden, zegt Olyslaegers: zijn grootvader was géén Antwerpse politieagent. Wel was hij lid van het Vlaamsch Nationaal Verbond, zeg maar de tegenhanger van de NSB.

Wat heeft hij gedaan?

„Daar was hij niet duidelijk over. Het kan iets geweest zijn, het kan niets geweest zijn.”

Waar houdt u rekening mee?

„Dat hij meedeed aan een soort politionele acties. Dat hij tegen het verzet heeft opgetreden. Maar ik weet het niet, hij is er niet meer. Hij babbelde gemakkelijk over die jaren. Ik associeerde zijn verhalen met een huis: hij nodigde me erin uit, maar als ik kritische vragen stelde over de leidingen of de fundamenten, slingerde hij me terug naar buiten. Dan zei hij: je zult het nooit begrijpen, je moet dit allemaal in de context zien en je hebt het niet meegemaakt.”

Is die geschiedenis dan niet de eigenlijke oorsprong van WIL?

Olyslaegers weert de vraag af: „Alleen op die manier dat ik probeer duidelijk te maken: wat hij zegt is onzin. Je hoeft het niet te hebben meegemaakt. Maar je moet het beschouwen met de maximale hoeveelheid begrip en empathie. Anders zal je het nooit begrijpen.”

Maar nee, de oorsprong moeten we veeleer zoeken in de stem van Wilfried Wils, zegt Olyslaegers, als we in een café zijn gaan zitten. Zo werkt zijn schrijven: die stem vond hem, die kwam aankloppen. „Het proces-verbaal van die agent voelde als een brief in een fles die bij mij aanspoelde. De stem van Wils komt maar voor de helft uit mij. Ik zie literatuur als een vorm van perverse magie – ik kreeg een mail van een joodse mevrouw die als tienjarige bij de pogrom op de synagoge was geweest. Ze schreef dat ik de zwarte bladzijde in haar leven terug kleur had gegeven, door de beschrijving van de details. Hoe kon ik dat in godsnaam weten, vraag ik me dan af.”

Hij komt uit een familie van verhalenvertellers. Hij vertelt er een verhaal over. „Ik ben veertien en zit op de achterbank van de wagen van mijn ouders, we zijn met vakantie in Engeland en ik lees uit pure verveling een biografie van Samuel Beckett. Daar stuit ik op een uitspraak die me vertrappelt: een omschrijving van Beckett als ‘a young man with an itch to make and nothing to say’. Die slaat in als een bom, ik begin te huilen, in stilte. Ik besef op dat moment dat ik dát ben, dat ik wil schrijven, niets te zeggen heb en dat het heel lang zal duren vooraleer ik iets te zeggen heb.”

Dat was ook die jongen die door zijn grootvader werd afgewimpeld.

„Ja, dat was wel in dezelfde periode. Ik was als vijftienjarige omgeven door verhalen, maar ik kon ze nog niet oppikken.”

En die jongen werd de man bij wie het verhaal van WIL aanklopte.

„Ik heb dat er nooit zo mee verbonden, maar misschien heb je gelijk. WIL is ook een gesprek tussen een grootvader en een kleinzoon. Het heeft een tijd geduurd voor ik aan mezelf wilde toegeven dat mijn grootvader er iets mee te maken had. Dat is misschien flauw. Ik denk dat ik hem wilde beschermen, zodat hij niet te dicht bij Wilfried Wils kwam.”