Column

Een zwarte pup

Ellen

Vrijdagmiddag stond er een mensje van elf op mijn stoep. Zijn moeder, mijn zus, had een paar dagen daarvoor gevraagd of hij dit weekend kon komen logeren. „Hij moet met iemand praten”, zei ze. Ik voelde me ongerust maar ook gevleid: mijn zus is een succesvolle psychologe (sommige cliënten hebben er anderhalf uur reizen voor over om haar een half uurtje te zien), maar haar kind wil liever bij mij zijn hart uitstorten. Anderzijds was dat ook logisch, ik bedoel, zelfs al zou mijn vader een prijswinnende gynaecoloog zijn, dan zou ik mijn spiraaltjes alsnog door iemand anders laten plaatsen.

Dus dit weekend zat er een stille elfjarige op mijn bank. Ik zette de Wii U aan, we versloegen wat monsters, ik bakte wat wentelteefjes, maar er kwam weinig uit.

„Hoe is het met je liefdesleven?” vroeg ik.

„Alle meisjes uit mijn klas zijn een kop groter dan ik”, zei hij.

Toen hij die avond onder de douche stond, belde ik mijn zus.

„Hij lijkt supersip”, zei ik.

„Ja”, zei ze. „En ik heb geen idee waardoor het komt.” Zoals de meeste families waarin depressie woedt, zijn we geneigd iedere somberte eerst aan externe variabelen te wijten, in plaats van aan onze eigen serotoninehuishouding. Omdat we hopen dat het dit keer wél een generatie zal overslaan.

Die avond durfde ik pas op de man af te vragen wat er aan de hand was. Mijn neefje kromp. „Ik voel me soms zo… gewoon zo alleen. In mijn hoofd.”

Ik hield hem vast. Zo begon het bij mij en mijn zus ook. Dat je, aan de vooravond van de puberteit, opeens iedere verbintenis met je medemens en omgeving voelt wegvallen. Dat het stil tussen je oren wordt. Dat je je bewust wordt van de eenzaamheid die natuurlijk ieder mens bezit, maar die niet iedereen aangrijpt.

„Winston Churchill, een beroemde -”, begon ik.

„Ik weet wie Churchill is”, fluisterde mijn neefje.

„Hij had daar ook last van. Hij noemde dat soort buien zijn zwarte hond. Die ook weer verdween.”

„Ik heb soms een zwarte pup bij me”, zei mijn neefje. „Maar niemand ziet het. Dat vind ik het moeilijkste: dat jij de enige bent die écht weet wat er in je hoofd gebeurt. Ik hoor de jongens van voetbal zeggen dat het leven een feestje is. Maar mijn leven lijkt de laatste tijd iets dat alleen mij aangaat.”

Hij begon zacht te snikken. Ik hield maar even voor me dat dat voor iedereen opgaat. En dat we met zijn allen vooral flink lachen en roepen en ons amuseren om maar aan die gedachte te ontkomen. Mijn neefje begroef zijn gezicht in mijn hals.

„Ik wou soms dat mijn leven niet zo persoonlijk was.”

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.