Recensie

Django is vooral film over wachten

Jazzmuzikant Django Reinhardt was niet bang voor zigeunervervolging door de nazi’s, tot hij toch naar Zwitserland moest vluchten.

‘Dit is niet mijn oorlog. Ik speel muziek.” Zo verklaart zigeunerjazzgitarist Django Reinhardt zijn houding in juni 1943. Ondanks de bordjes ‘Swing tanzen verboten’ geeft hij avond aan avond zijn in de ogen van de nazi’s opruiende concerten. Overal om hem heen worden Sinti weggevoerd naar speciale kampen, maar de in Parijs woonachtige ‘king of swing’ bereidt zich zorgeloos voor op een tournee door Duitsland.

Pas als zijn minnares Louise hem waarschuwt, hij een vernederende schedelmeting heeft ondergaan en zijn verbrande hand door een Duitse arts als het resultaat van inteelt wordt bestempeld, besluit Django te vluchten. Samen met zijn zwangere vrouw en moeder trekt hij naar Thonon-les-Bains, vlakbij de grens met het neutrale Zwitserland, waar ze veilig zullen zijn. Daar ontmoet hij andere tziganes en leeft hij weer als een nomade.

Hoewel er veel opzwepende muziek in de film zit, ingespeeld door het Nederlandse Rosenberg Trio, is Django vooral een film over wachten, tot de Reinhardts het Meer van Genève over mogen. Dat verklaart het soms wat trage tempo van de film, die omstandig laat zien hoe Reinhardt de tijd dood met vissen, clandestiene optredens en het componeren van een nieuwe compositie op een kerkorgel. Dat prachtige stuk, Requiem voor mijn zigeunerbroeders, laat aangrijpend horen aan wiens kant Django uiteindelijk stond.