Column

Ben ik dat ding of is dat ding mij?

U weet het misschien niet, maar de stukken die iedere dinsdag op deze plaats in de krant staan, worden doorgaans geschreven door een intellectueel. Ik ken de man niet echt, ik heb hem een paar keer gezien en toen werd ik meteen vreselijk zenuwachtig van hem. Geen idee wat ik moest zeggen. Hoe dan ook, het is nogal een smoezelig type en niet al te aantrekkelijk, en vandaar dat de redactie van de krant mij heeft gevraagd de publiciteit rondom deze column te doen. Foto’s, merchandise, meet-and-greets, de hele handel.

Inderdaad, het lijkt wel wat op het scenario van de recente film Het verlangen. Daarin speelt Chantal Janzen een onnozele schoenenverkoopster die zich moet voordoen als schrijfster van een meesterwerk, omdat de eigenlijke schrijver een nerd is. Overigens wil het toeval dat de krant ook nog even aan Chantal Janzen heeft gedacht voor de foto’s bij deze stukken. Maar toen viel het oog van de redacteuren op mij en was de keuze al snel gemaakt.

Nu is het probleem dat de man achter deze stukken opeens niet meer weet wat hij moet schrijven. Dat zat er natuurlijk al langer aan te komen. Zo iemand zit altijd maar binnen. De laatste tijd leest hij daar boeken over de verhouding tussen mens en machine, en vorige week had hij zoveel boeken over dingen gelezen dat hij niet meer wist wie hij was. Hij keek verwilderd naar zijn computer. „Ben ik dat ding of is dat ding mij?” Toen is hij helemaal filosofisch dichtgeklapt, en u voelt het al aankomen: nu moet ik dit stuk maken.

Tja, wat zal ik eens vertellen? Ik geloof dat krantencolumns altijd over eerlijkheid gaan, over identiteit en integriteit, en dat je niet mag liegen en bedriegen, maar ja, het zou een beetje hypocriet zijn als ik daar nu mee aan zou komen. Om me op weg te helpen stuurde de intellectueel me per koerier nog wel een beduimeld boek toe. „Doe daar maar iets leuks mee”, schreef hij. Ja, vast! Alsof ik dat hele boek ga lezen! Al snap ik wat hij bedoelt, want het eerste verhaal gaat over een man die op een goede dag ophoudt met praten. Ik heb alleen de laatste bladzij gelezen. „Het hoofd is niets”, staat daar. „Alles gebeurt buiten.”

Zo zit ik, terwijl de lente jubelt en ik net schoenen heb gekocht – mooie nieuwe derbyschoenen met krokodillenlook – zo zit ik, zoals gezegd, binnen achter mijn laptop en ik staar uiterst ongemakkelijk voor me uit. Ik kan hier toch moeilijk over mijn nieuwe schoenen schrijven. Om de continue kwaliteit van deze reeks krantenstukken te waarborgen, zou ik eigenlijk iets moeten zeggen over het openbare debat. Zal ik toch niet even kijken naar die verhalenbundel van Gianni Celati, die de koerier me heeft gebracht? Vier verhalen over de schijn der dingen heet de bundel. Misschien is dat wat?

Een boek is een ding. Dat staat ergens in de bundel. Ergens in het verhaal Boekenlezers worden steeds onwaarachtiger om precies te zijn. In dat verhaal duiken boekverkopers op die boeken beschouwen als pure materie: het bedrukte papier, de tastbare werkelijkheid van het ding op zich. En, oké, tot zover kan ik de schrijver wel volgen. Een boek is een ding, en wie een boek koopt, moet zich niet verplicht voelen dat ding ook nog te moeten lezen. Het hoofd is niets: het zou mooi zijn als meer mensen dat zouden beseffen.

Maar door te gaan lezen begeef ik me nu natuurlijk juist zelf in die schimmige wereld die ik beter had kunnen negeren. In mijn eigen wereld is alles simpel. Er is vreugde, er is verdriet en we nemen de dingen zoals ze komen. Maar in de wereld van dit boek verandert alles voortdurend in zijn tegendeel; er zitten gaten tussen de zinnen en daar sijpelt de onbegrijpelijkheid door naar binnen. Een boek is niet alleen een ding: zodra je gaat lezen, vervangen de gedachten van de een de gedachten van de ander. De stofdeeltjes van het geschrevene vermengen zich met de stofdeeltjes van je lichaam. Je kijkt naar het boek en je denkt: „Ben ik dit ding of is dit ding mij?” Je kijkt in de spiegel en er staart een heel smoezelig mens terug.

Bah, ik wou dat ik naar Italië was gegaan en langs zee liep. De hoofdpersoon van Celati’s verhaal walgt al net zo erg als ik van al het gepraat, alle oordeelsvorming, al die woorden en gedachten. „Hij zegt dat hij zo nu en dan heel erg twijfelt, dan weet hij niet meer of hij het zelf is of een ander die praat en schrijft. Het is alsof hij een ander is van wie hij alles weet, die bij hem woont en iedere week een stuk moet schrijven waarin hij doet of hij weet waarover hij het heeft. Dikwijls voelt hij zich erg alleen met die ander.”

Vermoeid sla ik de laptop dicht. Hopelijk schrijft de intellectueel volgende week zijn eigen stukken weer. Want ik vind het niks.

Maxim Februari is jurist en columnist. Deze column is wekelijks.