Alweer een uitzondering op beroepsgeheim?

Zeggenschap lichaamsmateriaal

Geef justitie toegang tot lichamelijk materiaal in ziekenhuizen voor opsporing, wil minister Schippers. Medici willen patiënten niet afschrikken.

De „moeder der slechte wetsvoorstellen”, noemde de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten de plannen van demissionair minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) dinsdag in NRC. Ook de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen was zeer kritisch over het gepubliceerde conceptwetsvoorstel, dat opsporingsdiensten bij zeer ernstige delicten toegang geeft tot lichamelijk materiaal in ziekenhuizen.

„Ook grote boeven moeten medische hulp durven zoeken”, zegt Johan Legemaate, hoogleraar gezondheidsrecht van het Academisch Medisch Centrum (AMC). Hij ziet geen heil in de voorgestelde uitzondering op het medisch beroepsgeheim.

Lees ook over de plannen van Schippers: DNA verdachten moet opvraagbaar zijn

Het plan – voor inspraak naar buiten gebracht – leidt tot veel discussie. Justitie zou er toestemming mee krijgen om in sporen aangetroffen DNA te vergelijken met lichamelijk materiaal van de verdachte.

   Na medische onderzoeken zoals bloedprikken of urinetesten wordt lichamelijk weefsel bewaard. In Nederland was in 2009 van veertien miljoen mensen DNA-materiaal in zorginstellingen opgeslagen, zo schatte het onafhankelijke Rathenau Instituut dat onderzoek doet naar effecten van wetenschap en technologie .

Het plan kent strenge voorwaarden, zo moet de rechter-commissaris steeds akkoord geven. En justitie mag alleen DNA van de verdachte vergelijken, dus niet een wilde zoekopdracht in een zogeheten biobank doen.

Het plan vraagt om een uitzondering op het medisch beroepsgeheim. Dat zou niet de eerste zijn: de Inspectie voor de Gezondheidszorg kan zonder toestemming van de patiënt zijn dossier lezen om de kwaliteit van zorg te controleren. Een ander, beroemd, voorbeeld: een arts mag bij een ernstige besmettelijke ziekte de GGD waarschuwen, zodat deze actie onderneemt.

Lees ook de reportage van onze verslaggever bij de biobank van het AMC: Urine, bloed, alles ligt in de biobank

Deze twee uitzonderingen zijn nog goed te begrijpen, zegt Legemaate. „Ze dienen het belang van de gezondheidszorg.” Volgens hem is dat „meteen het grote verschil” met dit plan. Het belang ligt in iets totaal anders: de opsporing van strafbare feiten. „Er is meteen veel onrust ontstaan: onder artsen, advocaten en in de samenleving”, aldus Legemaate. „Dat geeft des te meer aan dat het concept dat je arts vertrouwelijk met jouw zorg omgaat, breed gedragen is.”

Het ministerie zegt dat het vermoedelijk maar om een paar gevallen per jaar zal gaan. „Zijn die het waard om het beroepsgeheim opzij te schuiven?”, zegt Legemaate. „Je opent de deur voor justitie naar omvangrijke DNA-bestanden. Zelfs nu dat met allerlei waarborgen omkleed is, gaat daar een grote dreiging vanuit. Die zou ertoe kunnen leiden dat mensen minder happig zijn om hulp te zoeken.”

Legemaate vindt dat de wetgever „de laatste tijd te makkelijk denkt” over het medisch beroepsgeheim. „Dat zie je bijvoorbeeld ook in de wet forensische zorg, die nu bij de Eerste Kamer ligt.” Die wet maakt het mogelijk bij verdachten van misdrijven waarvoor tbs opgelegd kan worden, medische gegevens te vorderen bij artsen. Zo kan er ook een tbs-onderzoek plaatsvinden als iemand medewerking weigert.

Ingrid Geesink, hoofdonderzoeker gezondheid bij het Rathenau Instituut is „een beetje verbaasd” over de forensische bevoegdheden in het voorstel. Een eerder concept werd in 2012 ingetrokken. „Daar begon de hele medische beroepsgroep van te stuiteren. Nu zijn de mogelijkheden voor justitie in afgezwakte vormen weer opgenomen.”

Bloed, urinemonsters, tumorweefsel, stukjes bot – de meeste mensen weten niet dat hun medische materiaal wordt bewaard. Het bewaren is in eerste instantie bedoeld voor de patiënt: het kan later handig blijken om medische problemen te vinden, bijvoorbeeld door gezond en ‘ziek’ weefsel te vergelijken.

Tegelijk is het materiaal (geanonimiseerd of gecodeerd) een goudmijn voor wetenschappelijk onderzoek. Zo wordt in tumorweefsel naar verbanden gezocht tussen genetische kenmerken en een bepaalde levensstijl. „Kankeronderzoek is de grootste tak waar lichamelijk materiaal voor wordt gebruikt”, zegt Geesink. Tachtig procent van de mensen vindt het prima als hun lichamelijk weefsel wordt gebruikt voor onderzoek of onderwijs, als zij hierover worden geïnformeerd.

Een ander verhaal wordt het wanneer lichaamsmateriaal voor commerciële producten wordt gebruikt. „Daar is een enorme weerstand tegen”, aldus Geesink. Farmaceutische of biotechnologiebedrijven mogen met lichaamsmateriaal aan de slag voor onderzoek, om bijvoorbeeld medicijnen te ontwikkelen.

De aanloop naar Schippers’ Wet zeggenschap lichaamsmateriaal is er een van al bijna dertig jaar, zegt Geesink. Nederlanders gaven in Geesinks onderzoek aan beter geïnformeerd te willen worden en meer zeggenschap te willen over wat er met hun weefsel gebeurt. Dat is een belangrijk onderdeel van het voorstel. Tot eind juni mag gereageerd worden. De Raad van State komt nog met advies.