Column

Afscheid van een dichter

Ik stond voor mijn boekenkast en besloot: er móét iets uit, nú. Al die boeken die je nooit meer leest en soms zelfs helemaal niet gelezen hebt – het kan zo niet langer, het staat daar maar te verstoffen en te verdoffen.

Mijn meedogenloze blik viel op de vier delen verzamelde gedichten van H.W.J.M. Keuls, ooit tweedehands aangeschaft. Ze vielen me bij nader inzien niet mee, die gedichten. Plechtstatige taal, pathetische inhoud. Hier en daar een mooie regel, maar zelden een gedicht dat in zijn geheel standhield. De tijd had zijn verwoestende werk gedaan. In 1961 kreeg Keuls (1883 – 1968) voor dit werk nog de P.C. Hooftprijs.

Keuls was in het dagelijks leven advocaat in Amsterdam en muziek- en toneelcriticus van het Algemeen Handelsblad. Tegen zijn interviewer G.H. ’s-Gravesande vertelde hij in 1925: „Het nadeel voor mij was, dat ik de journalistiek nog met de advocatuur moest combineren. Wanneer men overdag op zijn kantoor zit, ’s avonds naar de schouwburg gaat en daarna nog een kritiek moet schrijven, dan wordt de mogelijkheid tot concentratie op eigen litterair werk wel zeer beperkt.”

Hij had veel te danken aan zijn maatschappelijk bestaan, vond hij. „Het heeft mij bijvoorbeeld afkerig gemaakt van quasi-idealen als socialisme en communisme en in ’t algemeen van alles wat geen realiteit heeft. Vaderland, ras, natie zijn realiteiten in tegenstelling met wereldvrede, mensenverbroedering enzovoort.”

Erg geliefd is zijn poëzie nooit geworden. In een necrologie in De Tijd schreef Kees Fens over „de schaduwpositie waarin Keuls’ poëzie is blijven verkeren”. Aan de achtereenvolgende bloemlezingen is de teloorgang af te meten. In zijn Spiegel van de Nederlandse poëzie uit 1964 nam tijdgenoot Victor van Vriesland nog 57 (!) gedichten van Keuls op, opvolger Hans Warren hield het in zijn Spiegel (1984) op vijf gedichten en Gerrit Komrij (1979) en, onlangs, Ilja Leonard Pfeijffer, lieten het bij één en hetzelfde gedicht.

Als ik zelf één gedicht uit het verzameld werk van Keuls zou mogen redden, koos ik voor het volgende titelloze gedicht. Over twee geliefden die voorgoed uit elkaar gaan.

En toen zij zaten naast elkaar

En wisten: ’t was de laatste maal,

Vond hunne liefde geen gebaar

Meer, en hun teederheid geen taal.

En in de stilte tusschen hen

Scheen, saam met een verloren woord,

’t Geluk nu weg te zinken en

Al wat hun eens had toebehoord.

Daar was niet meer van hart tot hart

Dan een zacht smachten, treurnis om

Vergaan, en een zich half-verstard

Verzetten hulpeloos en stom.

Zoo is de eenzaamheid van twee,

Die samenzijn een laatste maal,

En wachten stil, dat zonder vreê

Over hun smart de avond daal’;

En ’t is, of in hun wachten weent

Een eindlooze verlatenheid,

Of in hun droef’nis zich vereent

Al wat op aard’ zijn lot beschreit.

Het donker nam de dingen in,

Zij zwijgend zijn uiteengegaan;

Als eeuwig leed had elk den zin

Des levens in zijn hart verstaan.