Jongens, pas op! De verjuffing van het onderwijs slaat toe

Jongens en juffen

Mogen jongens nog jongens zijn? Niet van de juf, zeggen ouders en deskundigen. En daar lijden ze onder op school. „Testosteron is fout.”

Foto's: Merlijn Daleman

De vierjarige zoon van Henrike ter Horst moet voortaan een plannetje maken voordat hij in de bouwhoek gaat spelen. Een plannetje? Ter Horst knipperde even met haar ogen tijdens het tienminutengesprek met de juf. Ja, zei de juf, hij is te wild. Hij stormt op de bouwhoek af en gooit soms met auto’s. Een plannetje opstellen brengt rust, zei de juf. Maar hij is vier, zei Ter Horst. En ze dacht: succes met je plannetje.

Bij de oudste zoon van Jonne Kortmann in Zwolle begon het op de peuterspeelzaal. „Mevrouw, uw zoon gebruikt de Little People [poppetjes] als hamer”, zeiden de leidsters bezorgd. Kortmann: „Dat is heel normaal voor jongens volgens mij.” Maar de leidsters vonden het keer op keer slecht gedrag. Ze haalde hem van de peuterspeelzaal af. Ook nu hij vijf is, krijgt ze op school vaak te horen dat hij te onrustig is. Honderd keer de letter P schrijven, wat de meisjes braaf doen, vindt hij niks. Kortmann: „Hij wil bouwen, bewegen. Als de juf vraagt of iedereen iets wil meenemen van huis met de letter P erin, dan doorzoekt hij het hele huis om geschikte voorwerpen te vinden. Dát spreekt hem aan.”

De ‘vleugellamme’ man

Mogen jongens nog wel jongen zijn? Nee, zegt theatermaker Lucas de Man, wiens multimediale voorstelling De Man is Lam vorige maand in première ging. De voorstelling gaat over de „vleugellamme” man die zijn mannelijkheid opnieuw moet definiëren. Tegen NRC zei De Man dat de feminisering van de man is doorgeslagen. „Wat mannen nu horen, is dat macho fout is, dat testosteron fout is. Emancipatie wil zeggen: durf jezelf te zijn. Dat roepen we over minderheden en over vrouwen, en terecht. Maar waarom zeggen mannen dat niet over zichzelf?”

Jongens (en meisjes) worden louter nog opgevoed door vrouwen: in de kinderopvang en het onderwijs. Bijna negen op de tien leerkrachten op basisscholen zijn vrouwen. Dat er weinig meesters zijn, is al vaker geconstateerd. Maar het worden er ook nog steeds minder: waar nu 13 procent van de leerkrachten man is, was dat in 2005 nog 18 procent. Veel basisscholen hebben nu niet één mannelijke leerkracht. Zo ook in de kinderopvang: onder de 60.000 werknemers zitten ongeveer 500 mannen.

Onlangs voerde een aantal meesters actie tegen de „verjuffing” van de basisschool. Volgens onderwijsadviseur Lauk Woltring heeft die verjuffing grote gevolgen voor jongens. Hij verdiept zich al decennia in hun ontwikkeling. Hij wijst op een recent rapport waaruit bleek dat de Cito-cijfers van jongens voor het derde jaar achter elkaar lager zijn dan die van meisjes; gemiddeld 1,5 punt lager (op een schaal van 50). Volgens Woltring is de feminisering van de onderwijscultuur een van de oorzaken.

Het houdt niet op bij de Citotoets. In het speciaal onderwijs – voor kinderen met leer- en/of gedragsproblemen – zitten drie keer zo veel jongens als meisjes. Jongens blijven vaker zitten op de middelbare school en zakken vaker af naar lagere niveaus dan ze eigenlijk aankunnen. In de hoogste klassen van havo/vwo is 57 procent van de leerlingen meisje. 10 procent van de 18- tot 25-jarige mannen heeft geen bruikbaar diploma (een ‘startkwalificatie’), tegenover 7 procent van de vrouwen.

Jongens hebben mannen nodig. Lauk Woltring: „Ze hebben baat bij mannelijke rolmodellen die hun gedrag snappen. De juf geeft bijvoorbeeld impliciete boodschappen: ik heb liever niet dat je dat doet. Meisjes begrijpen dat, jongens niet. Zij gaan dus door met gooien of stoeien of rennen, wat de juf weer irriteert. Tegen een jongen moet je zeggen: nú ophouden.”

Jongens, zegt Woltring, ontwikkelen zich in een ander tempo dan meisjes. Ze zijn jarenlang vooral met de grove motoriek bezig: gooien, bouwen, klimmen. Rustig zitten schrijven komt later pas.

Ze gaan ook meer risico’s aan dan meisjes. „Een meisje begínt niet eens aan een hoge blokkentoren omdat ze weet dat hij zal omvallen. Een jongen wel. Die bouwt net zo hoog tot hij omvalt en houdt er geen rekening mee dat de toren dan op werkjes van andere kleuters neerstort. Daar leert hij juist van.”

Een duw of een schop

En jongens lossen conflicten anders op. De meeste jongens praten minder dan meisjes en beëindigen ruzies met een klap of een duw of een schop.

Jongens tasten ook krachten af, zegt Woltring. „Wie is hier de sterkste? Ze vechten soms iets uit maar zijn het al heel snel weer vergeten. Meisjes lossen ruzies al heel jong op met woorden. Het taalvermogen van jongens ontwikkelt zich later, gemiddeld, dan dat van meisjes. Jongens kunnen heus leren om zich te beheersen. Maar ze moeten het nut ervan inzien. Dat geldt voor alles wat ze leren – het moet nuttig zijn, anders beginnen ze er niet aan.”

Natuurlijk, zegt iedereen meteen, er zijn juffen die jongens heel goed begrijpen en er zijn meesters die meisjes goed begrijpen. Er zijn meisjes die geen behoefte hebben aan een juf en jongens die geen baat hebben bij een meester. Maar gemiddeld, als groep, komen jongens op school tegenwoordig tekort.

Op de middelbare school werken nog wel veel mannelijke leerkrachten; toch haken de jongens daar ook vaker af dan de meisjes. Hoe kan dat? Het onheil is dan al geschied, zegt Woltring. De ontwikkeling van identiteit gebeurt tussen de geboorte en twaalf jaar. „Jongens kunnen zich op die leeftijd minder lang concentreren dan meisjes. Ze staan steeds op, lopen weg. Ze hebben ook gewoon veel beweging nodig. Als ze daar steeds voor op hun kop krijgen, haken ze helemaal af. Ze gaan school dan vervelend vinden. Op de middelbare school wordt dat een manifeste hekel aan school.”

Dit zijn de jongens waar de juf last van heeft. Jongens met jongensgedrag.

Theatermaker Lucas de Man: „ Het onderwijssysteem is totaal niet aangepast aan mannen. Op presterende wezens. Vrouwen passen daar beter in: goed doen, netjes doen, correct doen. Dat zie je aan de resultaten.” Opvallend, zegt onderwijsadviseur Woltring, is dat op de scholen waar jongens goede cijfers halen, de meisjes dat ook doen; andersom geldt dat niet: er zijn scholen waar de meisjes structureel beter presteren dan de jongens.

Er zíjn ook juffen die hun best doen om drukke jongetjes de ruimte te geven. Zo laat de juf in groep 4 van een Utrechtse basisschool een jongen van zeven regelmatig een rondje rennen om zijn energie kwijt te raken. „Over het algemeen toont deze juf veel begrip voor zijn behoefte aan beweging”, zegt zijn moeder. „Het ging alleen mis toen hij onlangs tijdens een les mindfulness – aandachtsoefeningen – moest stilzitten als een kikker.”

Mathijs Zwanenburg (25), die lesgeeft aan groep 4 op een Arnhemse basisschool, is voor Ajax. De jongens in zijn klas zijn voor Vitesse. Voetbal schept een band, zegt hij. „Als Ajax in het weekend slecht heeft gespeeld, staan ze op maandag allemaal voor de deur op me te wachten om te zeggen dat Ajax zijn kansen op het kampioenschap heeft verkeken.” Hij voetbalt buiten met ze; dat doen de juffen niet. Maar, zegt Zwanenburg meteen, de meisjes hebben op dezelfde manier extra plezier van een juf. „Ik heb een stagiaire. De meisjes gaan liever naar haar toe met verhalen over meidendingen dan naar mij.” Een school hoeft niet precies evenveel juffen te hebben als meesters maar de verhouding is in het Nederlands onderwijs wel scheef, vindt hij.

Salaris te laag

Jongens worden al jaren geen meester meer. Ze vinden het salaris te laag en dus ook de status van het beroep. Zwanenburg heeft er geen moeite mee. Een basisschoolleraar begint met 1.800 euro netto per maand. Net als hbo’ers die commerciële of financiële opleidingen volgden. Maar de verschillen ontstaan vrij snel. Zwanenburg: „Sommigen krijgen al snel een leaseauto. Ik niet. En een aantal zal verder doorgroeien dan mijn salarisplafond.” Hij vindt het niet erg, zegt Zwanenburg, zijn werk is leuk.

Scholen zien de noodzaak om mannen aan te nemen inmiddels wel in en staan om hen te springen. „Bij gelijke geschiktheid kan ik me voorstellen dat ze een man nemen”, zegt Zwanenburg. Lauk Woltring constateert dat ook. „Scholen wíllen mannen aannemen. Beleidsmakers en vakbonden hoor je er niet over maar de scholen zelf wel.”