Recensie

Johannes Grützke verstaat de kunst van de overdrijving

In zijn thuisland Duitsland is schilder Johannes Grützke wel bekend, bij ons nauwelijks. Op de overzichtstentoonstelling in MORE zijn de omstandigheden voor de kennismaking ideaal.

Johannes Grützke, Te gast bij de gekruisigde (2013, olieverf op doek, 140 x 200 cm) Particuliere collectie. Museum More

Er is veel goede kunst die lang onder de radar blijft. Wie een schilderkunstige ontdekking wil doen, spoede zich nu naar Gorssel, tussen Deventer en Zutphen. Daar toont Museum MORE nog ruim een maand het werk van de Berlijnse schilder Johannes Grützke (1937).

In zijn thuisland is Grützke wel bekend, bij ons nauwelijks – terwijl hij toch al een heel leven schilderijen maakt om Sie tegen te zeggen. Volgens museum More is dit zijn eerste overzichtstentoonstelling buiten Duitsland. De omstandigheden voor de kennismaking zijn ideaal: in drie prettige, grote daglichtzalen hangen 62 schilderijen, ontstaan tussen 1967 en 2016. Een evenwichtige keuze uit vijftig jaar werk.

Johannes Grützke, In de mest (Eva en Maria). (1982, Olieverf op doek, 225 x 200 cm. Part. collectie, Berlijn.

Het zijn bijna allemaal figuurstukken, vaak op groot formaat. Dat Grützke in de jaren van fotografie en video, minimalisme en conceptkunst gewoon durfde aan te haken bij de traditie van de grote jongens uit de Renaissance en de negentiende eeuw maakt hem al meteen interessant. In communistisch Oost-Duitsland waren eigentijdse historiestukken nog wel gangbaar, maar in het Westen waagde niemand zich eraan. Johannes Grützke was een eenling. Dat deerde hem helemaal niet: hij schilderde al die tijd opgewekt verder.

In zijn verhalende schilderijen bedrijft hij, aldus Rob Smolders in de zeer leesbare catalogus, „de kunst van de overdrijving”. Smolders trekt de vergelijking met theater: als je op een toneel staat moet je je stem verheffen, je intonatie aanzetten, je gebaren verbreden. Je moet stileren – maar liefst zo, dat het niet opvalt.

Zaalgezicht
Foto Gijsbert van der Wal

De kunst van de overdrijving heeft te maken met gespeelde natuurlijkheid. Bij Grützke zijn bijvoorbeeld vaak de verhoudingen zoek: hij laat reuzen acteren naast miniatuurmensen. Maar dat ziet er zo vanzelfsprekend uit dat niemand er een probleem van kan maken.

Hij overdrijft ook in het perspectief. Er komen armen en benen op je af, je kijkt tegen billen en voetzolen aan. Wat dat betreft is Grützke een hedendaagse Cornelis van Haarlem. Het mooiste is nog dat al die extreme verkortingen en fisheye-achtige vervormingen niet met behulp van foto’s tot stand zijn gebracht, maar door de schilder zelf zijn geconstrueerd, naar de waarneming en uit het hoofd. Ronduit verbluffend hoe hij dat doet.

En ten slotte is er de verfkant van de zaak. Vooral de latere schilderijen zijn heel smakelijk en zelfverzekerd geschilderd, in brede penseelstreken op grof doek. Alle acteurs worden er met huid en haar in opgenomen. Grützke schaatst sierlijke figuren, lachend naar een jury die bestaat uit Manet, Hals, Kokoschka en Corinth. Aan die schildertrant doen reproducties geen recht. Je ziet hem pas met je neus bovenop het echte werk – in Museum MORE.