Column

Hond

Omdat ons huis te klein is en we niet meer wisten hoe de kinderschare te kalmeren, gingen we pannenkoeken eten bij een vriendin. Ik was vergeten dat daar ook een hond was, een dier zo groot als een kalf. Het beest begroette ons likkend.

„Hij is doof en doet niets”, zei de vriendin. Dat laatste zeggen mensen met honden altijd. Ik keek naar de oudste dochter (1) die haar hoofdje meteen tegen die schuimende snuit drukte en ‘waf waf’ zei.

‘Hap’, dacht ik, ‘kind weg’, en ik trok haar aan haar roze jasje naar me toe.

Ik was mijn vader geworden. Die werd ook altijd heel beschermend bij de confrontatie met honden. Hij kwam dan ook van het Brabantse platteland van 1925, ze hadden daar toen allemaal honden en die gebruikten ze niet om te aaien. De afgelopen jaren sprak ik, in een poging zijn leven te reconstrueren, meerdere bejaarden die met hem opgroeiden in Middelbeers.

Eentje vertelde dat er bij hen op het erf een keer een ‘scharensliep’ was opgevroten door drie honden. „Ze hingen in z’n kuiten, die is nooit meer terug gekomen. We hebben de beesten als beloning pens gegeven.”

Daarna: „Dat was toen heel normaal.”

Bij mijn vader thuis hadden ze maar één hond: Astor, een beest waarvan werd gezegd dat hij in de oorlog een onderduiker had opgegeten.

Daar dacht ik aan toen ik in dat huis van die vriendin op de bank ging zitten en ze me van alle kanten waarschuwden dat ik maar beter niet op dat plekje kon gaan zitten omdat de hond daar altijd zat.

„Ach ja”, zei ik, „dan gaat de hond toch ergens anders liggen? Is er geen mand? Of een kooi?”

Ouderwetse gedachte, kwetsend ook voor G., die nog nooit een vlieg kwaad had gedaan en een meer dan volwaardig lid van het huishouden was.

Terwijl ik een slok van mijn venkelthee nam, klom G. zuchtend op de bank om zich daarna met een plof boven op me te storten. Ik was niet meer te zien, ik lag onder zestig kilo hond.

Om me heen werd gelachen.

De dochter voerde hem met een uitgestoken handje blauwe besjes, het beest liet tevreden een scheet, de vriendin maakte een foto en ik zei wat mijn vader ook altijd zei na een familiebezoek in Brabant: dat niemand hoefde te denken dat we ooit een hond zouden nemen.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.