Cultuur

Interview

Interview

Foto's Karoly Effenberger

‘Het akelige vond ik dat gaatje bij zijn slaap’

Klaartje Kerkhof (88) dacht tientallen jaren niet aan de oorlog. Tot haar familie postuum door Yad Vashem werd onderscheiden. Toen ging ze op zoek naar haar oorlogsdagboek.

Ze zag het aan zijn sokken. Onder een groot zeil op de Pleinweg lagen twintig lichamen, alleen de voeten staken eronder uit. De wollen sokken, die haar moeder had gebreid, dat waren de voeten van Jan, haar broer. Klaartje Kerkhof (88): „Ik zag het meteen.” Zij was zestien, hij was achttien. „Jan had prachtig zwart haar.”

Jan Kerkhof werd op 12 maart 1945 gefusilleerd in Rotterdam, met negentien andere mannen. Hun dood was een represaillemaatregel voor de moord op een hoge Duitser. Jan zat in het verzet en was, bleek later, verraden.

Klaartje Kerkhof is de laatst levende van het gezin Kerkhof. Een kleine, tengere vrouw met heldere ogen. Ze wil wel een keer vertellen over de oorlog die zo’n impact had op haar tienerjaren en het gezin waarin ze opgroeide. Een gereformeerd gezin met acht kinderen, haar vader had een zaak in heren- en kinderkleding in Delft, haar moeder was huisvrouw.

Tussen haar elfde en zestiende, 1940-1945, hield Klaartje Kerkhof een dagboek bij. „Een schoolschrift, volgeschreven met potlood.” Het lag onder haar kussen. Naarmate er bij hen meer huiszoekingen werden gedaan, werd ze er steeds zenuwachtiger over. „Er stond zo veel in, ik was bang dat ze het zouden vinden.”

Arbeidseinsatz

De huiszoekingen hadden grote gevolgen. Bij de eerste zochten twee landwachters haar broer Kees. Hij was achttien geworden en oud genoeg voor de Arbeidseinsatz , tewerkstelling in Duitsland. Hij was niet thuis toen ze kwamen, maar er stond een foto van hem en zijn vriendin op de schoorsteen. „Ik ken die meid, ze woont bij mij in de straat”, zei een van de landwachters. Ze gingen naar haar huis en vonden er post van Kees. Klaartje: „Mijn moeder had nog zo gezegd dat ze alle post van Kees moest verbranden.” De landwachters achterhaalden zo Kees’ schuiladres. „Jan kwam hem nog tegen op station Delft. Hij kwam net terug uit school in Rotterdam en zag Kees lopen tussen twee landwachters. Ze brachten hem naar Amersfoort. En toen ging hij naar concentratiekamp Buchenwald. Het was de laatste keer dat Jan en Kees elkaar zouden zien.”

Later kwamen de landwachters Jan zoeken. Jan deed allerlei klusjes voor het Delfts verzet. Berichten verspreiden, valse persoonsbewijzen en bonnen vervoeren. Klaartje ontdekte het toen ze hem een keer verkleed zag. „Ik zei: ‘hé, wat heb jij aan? Je lijkt wel een meid’. Hij ging net naar buiten en had een sjaal over zijn hoofd, en hij droeg een rok en kousen. Hij zei dat ik er met niemand over mocht praten. Mijn arme moeder. Henk voer op zee, Kees zat in Buchenwald – we wisten niet of we hem ooit zouden terugzien – en Jan zat in het verzet. Maar ze was een sterke vrouw. Ze ging altijd door.” Vlak na de oorlog, in juni, kwam Kees terug.

Klaartje Kerkhof met een foto van haar broer Jan.

Klaartje stopte na de oorlog alle spanning en verdriet „weg”. 53 jaar lang lukte het haar er bijna niet aan te denken, ze praatte er ook niet over. Ze kreeg drie kinderen en leidde een goed leven. Zij was huisvrouw, haar man was bouwkundige. Ze woonden in een mooie buurt in Oss.

Alles in potlood

In 1998 kreeg ze ineens bericht van de ambassade van Israël: als laatste lid van het gezin (één nog levende broer was aan het dementeren) werd zij uitgenodigd om de Israëlische Yad Vashem-onderscheiding in ontvangst te nemen. De onderscheiding, voor mensen die tijdens de Holocaust hun leven riskeerden om Joden te redden, was voor haar ouders en broer Fritz. Want, ze zegt het nu nog op fluistertoon, „we hadden Joden in huis”. De Joodse Lo Bleiweissman, die bij het gezin Kerkhof op zolder had gewoond, had na zijn pensioen haar ouders en broer postuum voorgedragen voor de onderscheiding. „Ik was wel trots. Ik voelde me natuurlijk nooit serieus genomen als jongste in huis. En nu mocht ík spreken.”

En toen kwam alles terug. „Gek toch,” zegt ze opgeruimd, „dat die oorlogstijd na zoveel jaar emoties oproept”. Ze ging op zoek naar haar dagboek en vond het. „Het was wel moeilijk te lezen: alles in potlood en al vijftig jaar oud.” Ze tikte haar hele dagboek uit. Achttien pagina’s tekst is het nu, met een paar zwart-witfoto’s van familieleden in de oorlogsjaren.

Klaartje beschrijft hoe Jan eerst werd vastgezet op het Haagse Veer, een politiebureau in Rotterdam, en een paar dagen later in Scheveningen. Hoe ze en passant van een politieagent hoorde dat hij was vermoord („Je broer is vanmorgen doodgeschoten.”).

Hoe ze een week later op geleende fietsen naar Rotterdam gingen om Jans begrafenis bij te wonen. „Het akelige vond ik dat gaatje bij zijn slaap, wat geschroeid was”, schrijft ze in haar dagboek. „Maar het was wel Jan met zijn prachtige zwarte haar en zijn bruine ogen. De zon scheen en hij keek rustig.”

Er staan ook vrolijke berichten in. Bijvoorbeeld over hoe het gezin bericht kreeg van broer Henk die radiotelegrafist was op een tanker, ‘de Taria’. Het dagboek: „Vader hoorde bij Radio Oranje ‘Henk groet zijn moeder, Klaartje en verloofde Gien, het gaat goed met mij’. Een dag later lazen we in de krant: ‘de tanker Taria is met man en muis vergaan’. Gelukkig weten wij beter!”

In het dagboek schreef ze niets over de Joodse onderduiker in hun huis, Lo Bleiweissman. Maar ze herinnert zich wel dat hij elke avond naar beneden kwam om met het gezin te eten, te praten en spelletjes te doen. Hij was voor de oorlog al een goede studievriend van haar broer Fritz. Fritz had zijn ouders overtuigd om Lo in huis te nemen. „Dat was spannend, ja. Maar mijn ouders deden het. Het ging wel om een mensenleven, hè. En we hadden een groot huis. Naast ons huis was een fabriek en aan de andere kant stond een opslag. We hadden geen directe buren die het zouden kunnen merken.”

Op een gegeven moment moest Lo wel naar een ander onderduikadres, omdat Kees de leeftijd kreeg waarop ze hem zouden komen halen

In zijn brief aan de Yad Vashem-organisatie schrijft Lo Bleiweissmann er dit over: „Op grond van hun orthodox-christelijke levensovertuiging heeft de familie nooit getwijfeld om mij en mijn broer in huis te nemen. Ze stelden geen voorwaarden aan ons. Ze namen dus een groot risico.”

Op een gegeven moment moest Lo wel naar een ander onderduikadres, omdat Kees de leeftijd kreeg waarop ze hem zouden komen halen. Het risico op ontdekking werd voor Lo en het gezin te groot.

Lo was anderhalf jaar gebleven. Zijn broer Elie was al na drie weken vertrokken, hij kon de opsluiting op zolder niet verdragen. Later, in 1945, werd Elie Bleiweissmann gefusilleerd op de Coolsingel in Rotterdam.

Hoe hield ze die zware geheimen vóór zich op zo’n jonge leeftijd? „Dat moest gewoon. Vriendinnen mochten in die tijd nooit bij ons komen spelen. Ik had een paar heel goede vriendinnen van wie ik nu denk dat ze wel vermoedden dat we onderduikers in huis hadden. Maar van mij hoorden ze het niet. Kinderen deden in die tijd ook wat hun gezegd werd, anders dan nu.”

Flarden informatie

Er waren wel momenten, later, dat haar jeugd opeens weer opdook. Dat ze flarden informatie kreeg over haar broer Jan. Zo was Klaartje in de jaren tachtig lid van een koor. Ze raakte er aan de praat met Jopie Claessen die ook in Delft was opgegroeid. Jopie vertelde dat ze in de strafgevangenis in Scheveningen had gezeten en toen zei Klaartje: ‘Daar zat mijn broer Jan’. „O”, had Jopie gezegd, „ik zat met een Jan Kerkhof in een wagen die ons van het Haagse Veer naar Scheveningen vervoerde. Ik heb hem wat brood gegeven want hij zei ‘ik klap van de honger’.” Jopie had nooit geweten dat Jan daarna werd doodgeschoten. Klaartje: „Ze schrok enorm toen ik dat vertelde.”

In de jaren negentig ontmoette ze Paul van Es, die was opgegroeid op de Pleinweg in Rotterdam. „Daar is mijn broer doodgeschoten”, had Klaartje gezegd. Paul vertelde dat zijn ouders en andere buurtbewoners door de Duitsers gedwongen waren om naar die represaille-executie te kijken. Hij was zes jaar. ’s Avonds was hij stiekem met zijn broertje naar de twintig doden in de straat gaan kijken. Hij had er niet van kunnen slapen.

Nog geen twee maanden na Jans dood werd Delft bevrijd. De vlag kon niet uit, want de vlaggenstok was opgebrand in de kachel, schrijft Klaartje in haar dagboek. „Maar alles was een groot feest. We klommen op de jeeps van de soldaten en probeerden ons beste school-Engels uit. We dansten de Hokey Pokey op de grote markt. Dat gevoel van niet meer bang te zijn, dat is met geen pen te beschrijven.”