Recensie

De Vries balanceert tussen herkenning en verdwazing

Kunstenaar Auke de Vries wordt dit najaar tachtig, maar runt zijn studio nog als een perfectionistische dertiger. Zijn werk is soms raadselachtig, maar nooit ongenaakbaar.

Auke de Vries, zonder titel, 2008, beschilderd metaal, 80 x 140 x 66 cm. Foto Piet Gispen

Hij maakte de Tweede Wereldoorlog en de benepen jaren vijftig bewust mee. Niet in de wieg gelegd voor school, verliet hij de Friese weilanden die zich leeg om hem heen uitstrekten. De stad, die prachtige georganiseerde chaos waar je blik steeds op stuk loopt, trok hem aan. Hij tekende, schilderde voor de lol, werd decorateur voor Vroom & Dreesman, reisde naar Parijs, Amerika, Mexico, Israël. En daar zag hij in 1965 in het uiterste zuiden, in de Negev-woestijn, een steen. Dat driedimensionale object maakte de ruimte om hem heen plotseling inzichtelijk, grijpbaar: hij zag haar. En toen wist Auke de Vries wat zijn doel was: beelden maken in de ruimte, kunstenaar worden.

Portret Auke de Vries. Foto Piet Gispen

Kunstenaar Auke de Vries wordt dit najaar tachtig, maar dit betekent niet dat de tijd van bankhangen, bridge en bejaardenreisjes is aangebroken. De Vries (1937) is een actieve kunstenaar die zijn drie ateliers bestiert als een perfectionistische dertiger. Dat blijkt mooi op het grote overzicht van werk van De Vries, waarmee Museum Beelden aan Zee in Scheveningen de kunstenaar eert. Zo’n vijftig sculpturen en twee tekeningen uit de laatste twintig jaar zijn bij elkaar gebracht. Opvallend is het aantal werken afkomstig uit 2015 en 2016 – en met name de kwaliteit daarvan.

Dynamiek

Met Auke de Vries’ werk is het als met een werk van Donald Judd of Carl Andre: je herkent het van een afstand. De Vries’ abstracte, autonome beelden die vanaf 1970 ontstonden, zijn op tal van plekken in binnen- en buitenland te zien. Ze worden gekenmerkt door een of twee lange lijnen van meestal staal, door een clustering van rechthoekige vormen waaraan lichtvoetiger elementen ontspruiten: sprieten, trompetvormen, bollen, vogelhuisjes, linten. Vaak zijn er kleuraccenten: signaalrood, geel, rood. De beelden zijn loeizwaar, maar lijken vederlicht. Het beeld bij Den Haag Hollands Spoor ziet eruit alsof een stoot elektriciteit in de ruimte is gestold. De ‘waslijn’, het langgerekte Maasbeeld (1983) bij de Rotterdamse Willemsbrug, wordt iedere dag in beweging gebracht door het water. Maar veel vaker nog is het je fantasie die de werken van De Vries dynamisch maken.

De Vries is, ondanks zijn grote verdiensten, prijzen en belangrijke opdrachten, een beetje een outsider gebleven in de kunst. Als autodidact is hij altijd wars gebleven van enige stroming en met name de strengheid van het minimalisme van Judd of Andre is hem volkomen vreemd. De Vries’ werk balanceert – en dat is opnieuw goed te zien in Museum Beelden aan Zee – tussen herkenning en verdwazing, tussen houvast en een vrije val, tussen punt en contrapunt. Het zwaartepunt van zijn hangende, staande en liggende werken zit vaak hoog – zoals hij zelf zegt: als bij de kroon van een zich wijd vertakkende boom. Zijn werk is fragiel, soms raadselachtig, nooit ongenaakbaar. Mij doen zijn beelden altijd denken aan een poging tot een gedicht.

Auke de Vries, zonder titel, 2016, beschilderd metaal, 200 x 75 cm.
Foto Piet Gispen
Auke de Vries, zonder titel, 2016, beschilderd metaal, 170 x 30 cm.
Foto Piet Gispen
Auke de Vries, zonder titel, 2016, beschilderd metaal, 110 x 30 cm.
Foto Piet Gispen

Hoe mooi dat uitwerkt, blijkt in de grote tentoonstellingszaal in Scheveningen. Daar is een vlootschouw van kleine tot redelijk grote sculpturen opgesteld en met name opgehangen. De ronde museummuren hebben de allure van de omslag van een boek: daarbinnen roert zich van alles. De Trompetboom (2016) bijvoorbeeld is een ijle oefening in balans van een conische vorm van beschilderd metaal die is vastgelast op een dunne spriet – de basis van het kunstwerk. Heel fijntjes gebeurt er op een kwart van die dunne spriet nog van alles. Een minuscuul stokje met mini-vogelhuis en discusje op het dak laten zien dat op een kwart van de spriet nog zoveel meer ruimte is in te nemen.

Wachttorens

Heeft de Trompetboom nog figuratieve elementen (en een verhalende titel), vaker is De Vries’ werk abstracter. Een mooi voorbeeld daarvan is Zonder titel (2016), een deels geoxideerd object dat eruit ziet als een opengebarsten helm met een binnenkant van gemeen snijdende lagen. Even abstract is Zonder titel (2014), een hangende, gevouwen constructie van geel en oranje beschilderd metaal dat eruit ziet als licht karton.

In de patio van het museum staan drie op wachttorens lijkende beelden opgesteld. Slechts één daarvan draagt die naam. Alle drie de beelden rekken zich uit en lijken de muren van de patio te willen overstijgen. Dat lukt net niet en is jammer, want de twee tekeningen die De Vries aan de muur naast de patio heeft opgehangen spreken juist zulke duidelijke taal. De wachttorens (‘rhino-proof’) zijn niet sinister maar een metafoor, schrijft de kunstenaar. Ze overstijgen grenzen, staan voor improvisatie en het flexibel verkennen van wat aan de andere kant van de muur ligt: en dat niet alleen in beeld.