Column

De ogen van anderen kijken altijd mee

Dat je je leven de moeite waard vindt omdat iemand anders ernaar kijkt. Ik zet de tuinbank tegen het heggetje, tafeltje ernaast. Stoel erbij, het uitzicht op het weiland en het noordwesten, waar straks in de zomer de zon ondergaat, is er verrukkelijk. Iets om elke keer weer dankbaar om te zijn – soms is het kijken naar iets dat je vertrouwd is, tegelijkertijd ook een durende bron van verrukking, omdat het nooit gekend wordt. Altijd is het licht weer net even anders, de omstandigheden waarin je kijkt zijn anders, het is vroeger, later, natter, warmer, stiller, achtelozer. En soms is het gedeeld en geeft dat er een extra belang aan.

Dat ik daar kan zitten, op dat plekje, aan het eind van de middag en dat R. dan zou komen. Dat hij zou zeggen, zoals hij dat bijna elke keer zei: wat heb je hier toch een prachtig uitzicht.

Dat dit de mooiste tuin was die hij kende. Niet vanwege de bloemen of het onderhoud, maar vanwege dat zitten en dat uitzicht. Hoe rijk ik me dan voelde, op wat me zelf ineens voorkwam als een landgoed, niet zomaar een tuin.

Beslist rijker dan als er nooit iemand komt om mee te kijken. Nu dat ene paar ogen de tuin en het uitzicht nooit meer zal zien, kleeft er aan dat uitzicht ook iets van gemis. En, gek genoeg, alsof het iets in waarde is gedaald.

Of nee, niet in waarde: in betekenis.

Ja, je moet zelf betekenis geven aan je leven. Weet ik. Doe ik ook naar vermogen. En er komt heus wel eens vaker hier iemand zitten.

Is zelfs mijn tuin een geval van mimetische begeerte: dat ik hem begeerlijk vind omdat anderen dat vinden? Maar het is andersom: ik zag hem zelf eerst en word bevestigd in mijn liefde doordat anderen er ook verrukt van zijn. Het is een begeerte die versterkt wordt door potentiële bewondering en zelfs jaloezie. Afgunstondersteunde begeerte. Een kinderachtig fenomeen, dat zeer wijdverbreid is en dat we afkeuren.

Andermansen

Natuurlijk gaat het om meer dan afgunst. Andere mensen zijn niet in je leven omdat ze je met hun ogenapplaus op de been houden. In andermans ogen voel je dat je bestaat. Helemaal als die andermansen van je houden en jij van hen. Dan woon ik niet verloren daar in dat kleine dorp in het noorden. Zonder dat ik het weet en zie, en zonder dat die anderen nu de hele tijd aan mij zitten te denken of ik aan hen, worden we toch gedragen door elkaars blik en aanwezigheid. Ook als die aanwezigheid afwezig is.

Ook als die helemaal en voor altijd afwezig is?

Ik zeg ‘ja’. Ja ja ja. Toch. Het is geweest, het heeft betekend. Maar intussen is het wel stiller geworden in de tuin. Ida Gerhardt zou zeggen ‘in de hof’. Dat zo vaak geciteerde gedicht van haar, ‘Het doodsbericht’: „Langzaam zie ik hen gaan/ Die ik nog bij mij had,/ de bocht om van het pad.”

Je wilt er niet aan denken, ‘sentimenteel’ snauw ik tegen de toch zo ingetogen dichteres, ‘nu leven’, ‘dankbaar zijn’. Dat zijn nu eenmaal de dingen die je zegt, en die je trouwens ook echt voelt. Ondanks die stomme verjaarskalender met de namen die je niet doorstreept want dan heb je ze ook nog doorgestreept.

Ik kijk naar het uitzicht. Zo beloftevol als maar kan, schaterende paardenbloemen, vogeltjes. ,,Wat gouddoorschenen stof,/ dan wordt het in de hof / nog stiller dan voorheen. / De liefsten. – Eén voor één.”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.