Opinie

Dat die jongens blijven zitten, is niet hun schuld

Jongens hebben het moeilijk in het onderwijs, betogen Lauk Woltring c.s. Veel te vroeg wordt van hen iets verwacht wat ze nog niet in huis hebben. Pas het onderwijs aan.

Illustratie Hajo

Het aantal zittenblijvers op de middelbare school neemt toe, blijkt uit recente overheidsrapporten. Dat komt doordat ouders en leerlingen een te hoog niveau voor de leerling nastreven, denken de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie en de vereniging van scholen in het voortgezet onderwijs.

Er zijn echter ook andere verklaringen mogelijk. In de betreffende rapporten wordt geen onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes, maar uit eerdere onderzoeken blijkt dat jongens in het voortgezet onderwijs vaker blijven zitten dan meisjes. Ook onder de kinderen die langer ‘kleuteren’ zijn zij oververtegenwoordigd. Jongens die wel potentie hebben, maar nog niet weten wat ze willen, worden soms te weinig gestimuleerd. Als ze ‘afzakken’ naar een lager niveau, raken ze daar niet zelden nog verder gedemotiveerd. Dit kan leiden tot échte schooluitval. Er zijn ook nog de leerlingen die domweg niet in het format passen dat hun wordt geboden of leerlingen die nog niet ‘schoolrijp’ zijn als ze aan hun middelbare school beginnen. De school verwacht van hen niet alleen een bepaald niveau van rekenen en taal maar ook een mate van planning en zelfdiscipline die zij nog niet hebben.

In algemene zin wordt in ons onderwijsstelsel te vroeg te veel eigen verantwoordelijkheid verwacht. Ook moeten leerlingen te vroeg schooltype en -niveau kiezen. Nederland is een van de weinige landen in Europa waar niet op veertienjarige, maar al op twaalfjarige leeftijd een schoolniveau gekozen wordt.

‘Zittenblijven’ wordt tot nu toe niet gezien als een falen van het onderwijs. Het probleem van het matig tot slecht presteren wordt bij de leerling (en diens ouders) gelegd en is daarmee een soort straf, waarvan maar de vraag is of die ook werkt. We zien dat het zittenblijven piekt aan het begin van het primair en het begin van het voortgezet onderwijs.

Reden genoeg om na te denken over de vraag of het goed werkt dat alle leerlingen op eenzelfde vast moment ‘overgaan’ naar het primair en middelbaar onderwijs.

Sommige kinderen, wat vaker jongens dan meisjes, zijn langer aan het kleuteren en nog niet rijp voor de middenbouw in het primaire onderwijs. En aan het eind van de basisschool zijn sommigen nog niet klaar voor de middelbare school. Zij moeten in de nieuwe omgeving dingen doen die zij nog niet kunnen en reageren daar soms negatief op. De overgang van een doorgaans gestructureerde basisschool naar een veel lossere middelbare school is enorm. Leerlingen krijgen daar meerdere klaslokalen en leraren die hen niet kennen. Ze worden geacht zelf te plannen en te organiseren.

Op dat moment zijn de meeste meisjes in het voordeel omdat ze wat voorlopen in zelfinzicht en zelfdiscipline. Sommige jongens zijn nog speels, leven meer in het hier en nu, hebben nog weinig geleerd te anticiperen op wat er allemaal aankomt, realiseren zich ondanks talloze waarschuwingen niet de gevolgen van hun (uitstel)gedrag en kunnen nog niet goed plannen. Dit komt deels door het voorafgaande onderwijs, de opvoeding en socialisatie. Maar ook door de bij hen langzamere rijping en integratie van delen van de hersenen. Netwerken in de hersenen die de zogeheten prefrontale cortex verbinden met tientallen andere structuren zijn verantwoordelijk voor onder meer anticipatie en planning, zelfregulatie en leervaardigheden.

Je kunt deze vaardigheden wel trainen – en daar is alle reden voor – maar niet forceren: trekken aan een plantje doet het niet sneller groeien, je maakt het eerder stuk. Sommige functies zoals bijvoorbeeld visueel-ruimtelijk inzicht, grote motoriek, trial and error-leren, ontwikkelen zich bij veel jongens eerder. Andere functies en vaardigheden komen juist later tot ontwikkeling dan bij de meeste meisjes: empathie, taal, sociaal-emotioneel functioneren, fijne motoriek, anticipatie en planningsgedrag.

De integratie van dit alles ligt bij de meeste jongens 1 à 2 jaar later dan bij meisjes en het proces verloopt onregelmatiger. Overigens: wat wij hier zeggen, geldt natuurlijk niet voor alle jongens en meisjes – we hebben het over gemiddelden en tendensen.

De schoolmotivatie van jongens kan soms op de basisschool al afnemen. Recent waren er berichten over lagere Cito-uitslagen, voornamelijk bij jongens. Door hun beweeglijkheid en omdat we te weinig waardering hebben voor de meer exploratieve manier waarop ze leren (trial and error) kunnen sommige jongens daar al een ‘latente schoolhekel’ ontwikkelen. Vaker dan bij meisjes wordt hun gedrag in het basisonderwijs negatief beoordeeld. Ze zien meer juffen om zich heen dan meesters.

Nu kun je van vrouwen veel leren, maar niet om man te worden. Op de middelbare school kan die hekel aan school snel toenemen. „Daar ga ik mijn best niet voor doen; het leven buiten school is veel boeiender”. Denk hierbij ook aan de puberteit en de ontwikkelingen in sociaal gedrag in de adolescentie.

Een deel van de problemen kan wellicht ondervangen worden door aanpassingen binnen de huidige inrichting van het onderwijs. Zo kan de kleuterperiode verlengd worden voor sommigen. In het voortgezet onderwijs kunnen de brugklassen waar dat nodig is verlengd en ingericht worden met meer structuur. Op scholen kan meer inspiratie, maar ook steun en sturing komen van de leraren; er kan uitdagender en actiever worden begeleid. Ook voor meisjes wellicht geen overbodige luxe.

Aan de andere kant kan het geen kwaad te zoeken naar manieren om vast te stellen hoever een jongen of meisje eigenlijk is. Wanneer is een kind klaar voor de basis- of middelbare school? Moeten we misschien afstappen van een vast overgangstijdstip per jaar? Kunnen we kinderen indelen op basis van hun vaardigheden in plaats van hun leeftijd? Zittenblijven is duur, om nog maar te zwijgen van de sociale en financiële kosten van onnodig afzakken in schoolniveaus.

Natuurlijk, dit vraagt aanpassingen. Het is geen sinecure om de schoolplanning flexibeler te maken en praktische punten moeten worden opgelost.

Toch pleiten wij ervoor te kijken naar de inhoud en naar de ontplooiing van onze kinderen. De grote hoeveelheid wetenschappelijke kennis waarover we nu beschikken, eist van ons dat we daar op z’n minst over nadenken. Onze kinderen zijn het waard en de maatschappij heeft ze nodig.