Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

‘We waren bereid voor onze Führer te sterven’

Dick Woudenberg

Dick Woudenberg (1928) weet hoe het is om te radicaliseren. Als zestienjarige werd hij tijdens de oorlog ingelijfd in een SS-regiment. „Je komt in een proces waarin je nog maar één kant uit kunt”, vertelt hij in de week dat De nazi-leerling verscheen, een boek over zijn leven.

Lotus heette ze, Lotus Schipper. Ze werd geboren in 1933, het jaar waarin Hitler aan de macht kwam. Haar foto staat bij Dick Woudenberg thuis op zijn bureau. Een donkerharig meisje met vrolijk-felle ogen. Woudenberg, geboren in 1928, leerde haar kennen in mei 1956. Ze stond op het toneel van de Amsterdamse studentenbioscoop Kriterion en vertelde in prachtig Frans – ze studeerde Frans – welke liederen van Heinrich Heine er na de pauze gezongen zouden worden. Een voorstelling ter ere van zijn honderdste sterfdag.

„Ik was verbluft toen ik haar zag”, zegt Woudenberg. Hij studeerde Duits in die tijd en speelde een rol in een toneelstuk van Heine. „Ze was zo mooi en ze bewoog zich zo sierlijk, op haar hoge hakjes.” Hij wist meteen: met haar wil ik trouwen. Voor het eerst dat hij als een blok voor een meisje viel.

Toen hij nog op school zat, de nationaalsocialistische Reichsschule in Zuid-Limburg, was hij verliefd geweest op een jongen die hij Uwe noemde, al heette hij eigenlijk Erich Seidich. Uwe was op een dag tijdens de Bettruhe, het verplichte rustuur in de middag, zijn kamer binnengekomen en had hem op het voorhoofd gekust. Jongens van zestien, zeventien waren ze geweest. Ze zwommen samen, lazen en discussieerden. Ze deden hun gevoelens af als spel, met Homosexualität had het niets te maken. Dat was een ziekte. Een halfjaar later had Uwe zich bij de SS aangesloten. Hij was naar het front bij de Waal gestuurd en daar was hij gesneuveld, in april 1945.

Woudenberg zit in een rotanstoel bij het raam van zijn Hilversumse jarenvijftighuis. Een oude man in een ribbroek en een jasje van Engelse tweed. Zijn haar, wit geworden, ligt in een keurige scheiding over zijn schedel.

In de kasten om hem heen: boeken over Hitler en de Holocaust, romans van Günther Grass en Heinrich Böll, De welwillenden van Jonathan Littel, waarin de lezer gevangen zit in het hoofd van een SS-officier en zo medeplichtig wordt gemaakt aan de moordpartijen op Joden in Oekraïne. Vrouwen en kinderen die, om kogels uit te sparen, levend in massagraven worden gelegd en bedolven onder ongebluste kalk en aarde.

De broer van Woudenberg, Jan Woudenberg, acht jaar ouder dan hij, was kort na aanvang van de oorlog naar München afgereisd om op de Junkerschule Bad Tölz tot officier in de Waffen-SS te worden opgeleid. In juni 1941 was hij naar Oekraïne gestuurd om tegen de Russen te vechten.

De aanleiding voor het gesprek met Woudenberg is De nazi-leerling, het boek dat Vrij Nederland-journalist Mischa Cohen over hem geschreven heeft. Het verscheen vorige week.

Die jongens die naar Syrië gaan of aanslagen plegen, er zijn duidelijke parallellen

Woudenberg praat graag door over Lotus, zijn grote liefde, zoals hij haar met een zweem van melancholie noemt. Na de Heine-voorstelling hadden ze gedanst tot ze het gebouw uit werden gezet en daarna hadden ze in het Vondelpark gezeten tot de zon opkwam.

Twee weken lang zagen ze elkaar bijna elke dag. Ze speelden piano samen, quatre-mains, gingen naar concerten en toneelvoorstellingen, praatten eindeloos met elkaar op het terras van Americain, de place to be voor de Amsterdamse bohemien. En toen opeens vertelde ze hem, terwijl ze gearmd over de Dam liepen, dat ze voor Adriaan Morriën koos, in die dagen een gevierde schrijver, twintig jaar ouder dan zij. Hij had haar gekust op het Boekenbal en ze was zijn minnares geworden – Morriën had vrouw en kinderen. Woudenberg was er kapot van.

En hij voelde zich toch al zo ellendig in die tijd. Zijn vader, de NSB-topman Hendrik Jan Woudenberg, zat een levenslange gevangenisstraf uit (later omgezet in twintig jaar). Zijn broer de Waffen-SS’er was in januari 1945 door de Russen krijgsgevangen genomen en gefusilleerd. Zijn moeder en zijn tien jaar oudere zuster Hennie waren boos en verbitterd geraakt door de vernederingen die ze hadden ondergaan in het detentiekamp voor nazi-vrouwen. Sinds hun vrijlating woonden ze samen met Hennies kinderen achter een winkel in de Van Woustraat. Ze hielden zich in leven met schoonmaakwerk.

Dick Woudenberg, met een ingelijste foto van Lotus Schipper, zijn grote liefde die in 1965 overleed. Foto Frank Ruiter

SS-regiment Totenkopf

Dick Woudenberg was vijf toen zijn vader zich bij de NSB aansloot, elf toen de oorlog begon en zestien toen die eindigde. Eind april 1945, een paar dagen voordat Hitler in zijn Berlijnse bunker zelfmoord zou plegen, werd hij met tien andere zestienjarigen van de Reichsschule ingelijfd in het SS-regiment Totenkopf. Ze waren de allerlaatste lichting. „Bij niemand van ons kwam het op om ons te verzetten”, zegt hij. „Ook bij onze leraren niet. We konden niet geloven dat de oorlog al verloren was. We waren bereid om voor onze Führer te sterven. We waren volkomen gehersenspoeld.”

Daarom, zegt hij, heeft hij zijn verhaal aan Mischa Cohen willen vertellen. Hij weet wat het is: radicaliseren, een extremist worden. „En het laait nu weer op. Die jongens die naar Syrië gaan of aanslagen plegen, er zijn duidelijke parallellen. Je komt in een proces waarin je nog maar één kant uit kunt. Je wordt radicaal door een volkomen gebrek aan relativering.”

De nazi-leerling beschrijft de wonderlijke geschiedenis van de familie Woudenberg, beginnend in 1882, als grootvader Woudenberg zich met zijn vrouw Sofia en een paar koeien in het armoedigste deel van de Amsterdamse Jodenbuurt vestigt. Ze krijgen veertien kinderen, waarvan er tien blijven leven, negen jongens en één meisje, ze moeten allemaal van jongs af aan meehelpen in het bedrijf. ’s Morgens voor school de stal uitmesten, voederen en melken, melk rondbrengen. Doorleren is er niet bij, daar is geen geld voor.

Grootvader Woudenberg is een orthodoxe christen en moet niets van Joden hebben, ook al zijn het zijn klanten. Ze hebben Christus laten kruisigen. Woudenbergs vader leert dat ook op school – de School met de Bijbel – en het maakt, schrijft Mischa Cohen, grote indruk op hem. Op zijn negende wordt Woudenbergs vader een keer ingesloten door scheldende Joodse jongens en meisjes, die op zijn kleren spugen en in plat Amsterdams beginnen te zingen: ‘Zeve hake en zeve kramme / daar is Jezus aan gehange.’

Pesten op school

Was Woudenbergs vader daardoor zo’n felle antisemiet geworden? Tussen de andere Woudenbergs was hij een uitzondering, ook in zijn politieke overtuigingen. Bijna al zijn broers waren socialisten en een van hen, Kees Woudenberg, zou later Eerste Kamerlid van de Partij van de Arbeid worden. Hij was een vooraanstaand vakbondsbestuurder.

Hendrik Jan Woudenberg was ook vakbondsbestuurder, maar dan van de nationaalsocialisten. En hij werd in 1937 gekozen als lid van de Tweede Kamer voor de NSB, samen met Meinoud Rost van Tonningen en nog twee anderen. In de jaren daarvoor had hij zich opgewerkt van jongste bediende op een kantoor tot boekhouder en uiteindelijk tot directeur en mede-eigenaar van een visgroothandel in IJmuiden. Hij deed veel zaken in Duitsland en daar had hij gezien hoe de mensen leden onder de economische crisis en de vernederingen na de verloren Eerste Wereldoorlog. Hij had ook gezien hoe het land opbloeide toen Hitler de macht had overgenomen. De saamhorigheid, de ijver, de enorme productiviteit – hij was er buitengewoon enthousiast over.

Zijn zoon Dick werd er flink mee gepest op school. Na mei 1940 werd het zó erg dat hij nauwelijks meer over straat durfde. Jongens wachtten hem in groepjes op en sloegen hem in elkaar. ‘Fascist, je vader is een vuile NSB’er en jij bent zelf ook een smerige landverrader.’ Zo kwam hij uiteindelijk op de Reichsschule terecht, onder gelijkgestemden, zoons van de nationaalsocialistische elite, voorbestemd voor de topposities in het Groot-Germaanse Rijk. Hij werd lid van de Hitlerjugend en leerde dat het Arische ras superieur was. De Duitse jongens van de toekomst, en daar hoorde hij bij, waren ‘rank en slank’, ‘snel als windhonden’ en ‘taai als leer’. Hitler had dat zelf gezegd. Ze waren ook, en dat kregen ze steeds opnieuw te horen, ‘hart wie Kruppstahl’. Ze exerceerden en leerden schieten.

Wat als de Duitsers de Tweede Wereldoorlog gewonnen hadden? Was Woudenberg in staat geweest tot martelen en moorden? Dat soort vragen kwellen hem nog altijd. „Ik denk”, zegt hij, „dat het onvermijdelijk was geweest.” Zoals hij ook denkt dat zijn broer Jan, het kan bijna niet anders, in Oekraïne de gruwelijkste dingen heeft gedaan. De Duitsers experimenteerden daar met gesloten vrachtwagens om Joden te vergassen. „Mijn broer was er de man niet naar”, zegt hij. „Maar dat geldt voor bijna alle oorlogsmisdadigers.”

Jan (9) en Hennie (11) met hun broertje Dick op zijn eerste verjaardag, 23 juni 1929. Foto uit privé-archief
Dick Woudenberg brengt de nsb-groet: ‘Hou zee.’ Foto NIOD
Dick Woudenberg en Lotus Schipper met vakantie in Lochem, 1958. Foto uit privé-archief

Rationeel onthersenspoeld

In de eerste week van mei 1945, een paar dagen na de capitulatie van Duitsland, werd Dick Woudenberg met de andere jongens – ze droegen nog steeds hun schooluniformen – krijgsgevangen gemaakt door Engelse soldaten. Vanaf oktober 1945 zat hij in Huizen in een heropvoedingskamp voor jeugdige politieke delinquenten. Daar kreeg hij beetje bij beetje te horen wat er in de rest van de wereld was gebeurd in de jaren dat hij werd onderwezen in het gedachtegoed van Mein Kampf.

Totaal in de war was hij toen hij eind 1946 werd vrijgelaten. En dat bleef zo, ook toen hij het Nederlandse leger in ging, een opleiding kreeg tot officier, daarna leraar Duits werd en zich uiteindelijk inschreef aan de universiteit. „Rationeel was ik onthersenspoeld”, zegt hij. „Maar emotioneel niet. Het was een kluwen van schuld- en schaamtegevoelens waarin ik geen draadje los kon krijgen.”

In september 1957, aan het begin van het nieuwe studiejaar, kwam hij Lotus weer tegen, bij de ingang van Americain. Hij liep naar binnen, zij kwam naar buiten – ze had een bespreking gehad met ‘een dame’. De vrouw van Adriaan Morriën. Die had een brief van Lotus aangetroffen in een van zijn jasjes. Daarna had Morriën niet veel tijd nodig gehad om voor zijn gezin te kiezen.

Een paar dagen later vroeg Lotus of Dick haar wilde helpen met het schilderen en behangen van haar nieuwe kamer. Ze speelden weer piano samen, gingen naar voorstellingen, praatten over de boeken die ze lazen. Woudenberg werd opgenomen in Lotus’ vriendenkring: jonge, links denkende Amsterdammers, met de feministe Joke Smit als middelpunt. De laatste resten sociaalnationalisme werden hem in die tijd uit het hoofd gepraat.

Ze trouwden in 1958 en verhuisden naar Hilversum, waar ze beiden les gingen geven op het A. Roland Holst College. Ook toen ze zwanger werd, bleef Lotus voor de klas staan. Twee kinderen kregen ze en toen werd Lotus ziek. De nazi-leerling eindigt met haar dood, in 1965. Ze was nog geen drieëndertig jaar oud.

„Een hersentumor”, zegt Woudenberg. „Het begon aan het eind van het schooljaar. Ze bleef maar moe en eerst dachten we dat het kwam doordat ze het zo druk had gehad. Twintig lesuren, jonge kinderen. Ik verbeeldde me dat ik ook wel wat deed, maar dat viel weg bij de prestaties die zij leverde.”

Gillende sirenes

Toen de vermoeidheid niet over ging, liet de huisarts haar opnemen. Na een dag werd ze met gillende sirenes naar het academisch ziekenhuis in Leiden gebracht. De hoogleraar daar legde uit wat er aan de hand was – een stervormige tumor in het voorhoofd waarvan hij de tentakels niet had kunnen verwijderen – maar Woudenberg begreep hem nauwelijks.

De volgende ochtend werd hij in een kamertje geduwd door een jonge arts-assistent die hij nog uit Amsterdam kende. „Hij barstte in tranen uit”, zegt Woudenberg. „Hij zei: je vrouw leeft geen jaar meer.” Daarna, zegt hij, maakte hij het moeilijkste uur van zijn leven door. „Ik ging naar Lotus en babbelde wat over schone kleren en of er nog iemand op bezoek was geweest. Ik had” – hij slikt een paar keer – „geen idee wat ik moest zeggen.”

Zijn leven daarna: een kort tweede huwelijk, nieuwe relaties, ze duurden nooit langer dan een paar jaar. Vanaf begin jaren zeventig ging hij langdurig in psychotherapie. Uiteindelijk werd hij zelf ook psychotherapeut. En hij acteerde, onder andere in de tv-serie Goudkust.

Zijn verleden bleef hem bezighouden, zo sterk dat zijn dochter, de actrice Kathenka Woudenberg, zich van hem afkeerde. Ze schreef er samen met Gerardjan Rijnders een woedend toneelstuk over, Narciss, waarin ze de vloer met haar vader en dat NSB-gedoe van hem aanveegde. „Ik begrijp het”, zegt Woudenberg. „Maar ik hou van haar en de laatste jaren zijn we wel weer wat dichter bij elkaar gekomen.”

Soms bezoekt hij haar, maar nooit zonder zijn zoon Stefan, met wie de relatie goed is gebleven. „Als ik alleen met haar ben, hebben we gebrek aan gespreksstof.”

Er is teveel dat niet besproken kan worden.

Mischa Cohen: De nazi-leerling, AtlasContact, 240 blz. € 21,99