‘Soms zat de shoarma nog tussen mijn kiezen’

De eerste baan

Als ondernemer werd Duncan Stutterheim (45) rijk met grote dance-evenementen als Thunderdome en Sensation. Op zijn vijftiende schrobde hij wc’s in het Slotervaart Ziekenhuis.

Foto Lars van den Brink

Om kwart over zes ’s morgens komt er een mail: „Ik meld mij zo.” Stipt om negen uur komt Duncan Stutterheim op het afgesproken tijdstip de hoofdingang van het MC Slotervaart in Amsterdam binnenlopen. „Wie op de fiets komt, is nooit te laat.”

Het lijkt alsof er nooit een Stutterheim uit het nachtleven geweest is. Zijn miljoenenbedrijf ID&T keerde hij in 2015 al de rug toe, nu ruim een jaar geleden verkocht Stutterheim ook zijn club Studio 80 op het Rembrandtplein in Amsterdam. Of de voormalig dance-eventorganisator het uitgaan mist? Nee. „Ik heb jarenlang overal het licht uit gedaan. Dat is dan wel een keertje klaar.” En dus staat Stutterheim nu zonder enige moeite op een vrije donderdagmorgen in een steriele hal. Zodra hij zijn benen in het witte schoonmaaktenue hijst, verraadt alleen een Thunderdome-logo op zijn bovenarm nog een groots en meeslepend leven.

Ik denk dat jij beter een ander bijbaantje kunt zoeken

Ondernemersgeest

Vijftien was hij, toen hij hier op zaterdag en zondag om acht uur ‘s ochtends wc’s kwam schrobben. Een uur op de racefiets vanuit Landsmeer, koffie met de schoonmaakploeg, dan twee uur ondersteboven boven de pot. „Het gekke is dat zodra je begon, de knop ook wel snel omging”, zegt Stutterheim nu. Oké – leuk was het niet. „Zeker niet op sommige afdelingen, waar patiënten ook nog weleens iets náást de wc wilden leggen.” Maar het leverde zestien gulden per uur op, en dat was al gauw zo’n 250 gulden per maand. Thuis heerste bovendien een ondernemersgeest: elke gulden die Stutterheim verdiende, werd door zijn vader verdubbeld. „Ik doe dat bij mijn dochters nu ook.”

Met een snelle handbeweging vouwt Stutterheim een stofdoek om de dweil. Een voor een duwt hij zijn vingers in de gaatjes. Die doek moet eromheen – anders is het nep. „Maar eigenlijk doe je hier de wc’s niet mee hoor”, benadrukt Stutterheim. „Daar had ik een zwabber voor.” Bovendien droeg hij altijd handschoenen. Zijn precisie en dubbele inkomen wisten desondanks niet te voorkomen dat hij op zijn zestiende het nachtleven in dook. „Eerst in Volendam, daarna op het Rembrandtplein.” En dan is er ook de eerste kater.

„Ik kwam hier met een kegel en de shoarma nog tussen mijn kiezen aan”, vertelt Stutterheim lachend. Doorhalen deed hij nooit, maar de nachten werden wel allengs korter. Zijn racefiets werd vervangen door de bus, eerst kwam hij één, daarna twee keer flink te laat. Het strenge doch steekhoudende advies van zijn leidinggevende: „Ik denk dat jij beter een ander bijbaantje kunt zoeken.”

Lees ook De eerste baan van vorige week: ‘Ik schreef altijd in de zomervakanties’

Betrekkelijkheid

Lopend door de witte gangen herinnert Stutterheim zich vooral dat het ziekenhuis veel indruk op hem maakte. En eigenlijk doet het dat nog steeds. „Het zet je even met beide benen op de grond. Hier is iedereen kleiner”, zegt hij. Nog tweemaal in zijn leven wordt Stutterheim met diezelfde betrekkelijkheid van het leven geconfronteerd. Zeventien jaar geleden na de dood van zijn broer Miles, onlangs lag zijn vader een tijdje in het ziekenhuis. „Wij waren altijd de familie ‘niet ziek zijn’. Maar je kunt nog zo vaak de grote meneer van de avond zijn, wie hier komt weet waar het echt om gaat.”