Cultuur

Interview

Interview

Rien Zilvold

Is er een Nederlands fascisme geweest?

Willem Huberts promoveerde op een onderzoek naar groeperingen en hun voorlieden die hier het fascisme propageerden. ‘Journalisten namen de fascisten niet serieus.’

Zijn promotoren vonden eigenlijk dat hij voor zijn proefschrift ook Nederlandse fascistische organisaties van na 1945 zou moeten onderzoeken, maar Willem Huberts had bij die ‘flinke discussies’ een doorslaggevend tegenargument. „Vóór de oorlog was het fascisme in feite niet meer dan een van de politieke ideologieën. Een ideologie waar ook gewone mensen zich toe konden verhouden. Voor de oorlog spraken respectabele politici als Churchill en Colijn hun waardering uit voor Mussolini. Na de oorlog was het een extreme keuze. Fascisme duidt sindsdien geen politieke overtuiging aan, het is een scheldwoord geworden.”

Vandaar de ondertitel van het boek waarop Huberts (1953) is gepromoveerd: In de ban van een beter verleden. Het Nederlandse fascisme 1923-1945. Het geeft een minutieus overzicht van de groeperingen en hun voorlieden die de fascistische politiek in Nederland aan de man probeerden te brengen.

Rien Zilvold

Het eerste dat opvalt: hoe gering hun succes was. Het Verbond van Actualisten, waarvan het manifest van 1 mei 1923 ‘de vroegst bekende uiting van een Nederlandse fascistische politieke partij’ was, kreeg bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1925 – het jaar dat Mussolini in Italië van premier dictator werd – niet meer dan 0,07 procent van de stemmen. Bij haar beste verkiezingsuitslag behaalde Musserts Nationaal-Socialistische Beweging, de meest succesvolle fascistische partij in Nederland, 7,94 procent. Naar stemverhoudingen is de PVV nu aanmerkelijk groter dan de NSB ooit is geweest. En nee, het is niet schandalig om die twee in één adem te noemen, maar daar komen we straks op. En dan zal Willem Huberts in zijn Nijmeegse werkkamer zeggen: „Op deze vraag zat ik te wachten.”

Tien jaar geleden, hij was als neerlandicus vele schrijvers met ‘foute’ ideeën tegengekomen, vroeg Huberts zich af: wat is er aan deze boeken voorafgegaan? Dat was het begin van een zoektocht. Kernvraag: is er een Nederlands fascisme geweest? En zo ja, leek dat op het andere fascisme in Europa? Daarbij hanteerde hij een definitie van het fascist minimum zoals dat door de Britse onderzoeker Roger Griffin in de jaren negentig is vastgesteld als ‘palingenetisch, populistisch, revolutionair ultra-nationalisme’ – palingenetisch wil zeggen: uit op een schone lei, een wedergeboorte.

U komt tot genuanceerde antwoorden.

„In Nederland zie je dat de partijen op drie van de vier kernpunten scoren. Maar het revolutionaire element is vrijwel afwezig. De meeste partijen zochten radicale verandering langs legale weg. Niet uniek voor Nederland, ook in Zweden en Roemenië was de revolutionaire component bij fascistische bewegingen zwakker. Toen moest ik kiezen: of die partijen zijn niet fascistisch, of de definitie van fascisme behoeft bijstelling.”

En volgens u zijn ze fascistisch.

„Ze noemen zichzelf fascistisch. Hun Umwelt beschouwen ze als zodanig. Vandaar dat ik heb moeten erkennen dat de definitie van Griffin niet volmaakt is. Ik ben mijn proefschrift nu aan het omwerken tot een artikel voor Fascism. Journal of Comparative Fascist Studies. Ik ben benieuwd wat ze vinden. Griffin is daar hoofdredacteur.”

Veel mensen zouden in de definitie van fascisme ook de verheerlijking van geweld verwachten.

„Geweld en uniformen zijn geen doorslaggevende factoren in de beoordeling of een partij fascistisch is of niet. Dat zijn uiterlijke verschijningsvormen. Ook andere bewegingen hadden uniformen: de scouting, de katholieke jongeren, het Leger des Heils. Uniformen gaven de leden een gevoel dat ze ergens bij hoorden.

„Extreem-linkse groepen gebruikten ook regelmatig geweld om hun politieke vijanden aan te pakken. In Duitsland stonden communisten op straat te wachten als nazi’s hun bijeenkomsten hielden en sloegen er op los als ze buiten kwamen. Bij het eerste fascistische huwelijk in Nederland, 24 maart 1932, tussen Karel van Charante en Emma Sprajc, kwam de broer van de bruidegom, een communist, de boel op stelten zetten.”

En racisme?

„De racistische gedachte zit niet in het fascisme. Mussolini had verschillende joodse adviseurs. Pas later, onder druk van Hitler, nam hij in Italië anti-joodse maatregelen. In Nederland speelde antisemitisme vóór de oorlog vrijwel geen rol bij de fascistische partijen. Terwijl anti-joodse sentimenten in de samenleving toch bepaald levend waren, zie je hoe in het eerste partijprogram van de NSB alles is overgeschreven van Hitlers NSDAP – behalve de rassenleer en het antisemitisme.”

Uw boek zit vol portretten van fascistische voorlieden. Kleurrijke types.

„Nou en of. Mijn handen jeukten soms om veel meer uit te weiden. Jan Baars, de Amsterdamse marktkoopman die weinig in zijn mars had, maar wel als de beste een zaal kon toespreken. Alfred Haighton, de financier van het Nederlands fascisme, de grootste ruziemaker van allemaal. Hij was mank, driemaal getrouwd, en telkens met een vrouw die slechts één been had. Hij was bovendien commissaris van een fabriek van medische hulpstukken – je zou het als romancier niet durven verzinnen.”

Twaalf mannen, schrijft u, waren verantwoordelijk voor de opbouw van het Nederlands fascisme. Je ziet ze steeds nieuwe partijtjes oprichten. Nam men ze destijds wel serieus?

„Journalisten namen de fascisten niet serieus. Wat wil je. Al die splitsingen, royementen, ruzies. De overheid nam hen wél serieus. Ze werden beslist geïnfiltreerd. Van één mol heb ik de naam achterhaald: Jelte van der Heeg. Die briefde alles door wat hij bij de Nederlandsche Corporatieve Staats Partij hoorde. Maar het moeten er beslist meer zijn geweest, want je leest soms woordelijk vergaderingen terug in de rapporten van de Centrale Inlichtingen Dienst. De dienst heeft maar één ding gemist: dat de NSB het in zich had om groot te worden. Hoewel, gemist is niet het goede woord. Er was vooraf geen reden om aan te nemen dat de NSB zoveel anders zou zijn dan al die partijtjes en beweginkjes.”

Waarom lette de overheid zo goed op deze marginale politici?

„In de eerste plaats met het oog op de openbare orde. Je moet niet vergeten dat de overheid goed wist wat er met de fascisten in Duitsland gebeurde. Altijd knokpartijen. In de tweede plaats moest zij de Anti-revolutiewet handhaven. Bij mijn weten is nooit een fascist voor het prediken van de revolutie gearresteerd, terwijl ze het woord best vaak in de mond namen. Zeker Arnold Meijer van het radicale Zwart Front, maar zelfs hij werd nooit opgepakt voor zulke taal.”

Hoe komt het dat de Nederlandse fascisten niet kunnen tippen aan het succes van Italiaanse en Duitse broeders?

„Ik noem in mijn boek een reeks redenen. Maar het belangrijkste was, denk ik, de tegenwerking van de Nederlandse regering. De burgers van die jaren waren zeer gezagsgetrouw. Dat de regering er zo bovenop zat, gaf hun de indruk dat het met de fascisten niet pluis was, dat je er beter niet op kon stemmen.”

En was het na 1945 voorbij?

„Na de oorlog zijn er wel pogingen gedaan om vanuit dezelfde ideeën politiek te bedrijven. In 1953 werd de Nationaal Europese Sociale Beweging, de NESB, opgericht – alleen de naam al. Daarna zagen we de Boerenpartij, de Centrum Democraten, Fortuyn, Wilders.”

U vergelijkt de PVV van Geert Wilders, én de Noorse terrorist Anders Breivik, met de fascistische bewegingen van toen. U noemt hun ideeën van het fascisme ‘afstammende ideologieën’. In hoeverre is Wilders een fascist?

„Die vraag, daar zat ik op te wachten, zij komt in elk interview terug. Ik noem Wilders geen fascist. Eerlijk gezegd vermijd ik dat ook om mijn onderzoek niet te laten overschaduwen door zo’n enkele uitspraak. Je kunt uittekenen wat er dan in de publiciteit was gebeurd. Maar ook wordt de maatschappelijke discussie over Wilders onmiddellijk doodgeslagen als je hem een fascist noemt, want dat is na 1945 een scheldwoord geworden in plaats van een zakelijke aanduiding van iemands politieke opvattingen. Voor mij staat overigens wel vast dat Wilders en zijn PVV zich op dezelfde voedingsbodem baseren als het vooroorlogse fascisme en nationaalsocialisme deden: onbehagen bij de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt, ongenoegen over de eigen plaats in de samenleving, onvrede met besluiten van de leiding van de samenleving en onzekerheid over de toekomst van samenleving en individu. En als je Wilders’ uitspraken naast het ‘fascist minimum’ legt, dan zie je dat hij aan alle vier de componenten ervan voldoet.”

En Fortuyn?

„Fortuyn zou ik evenmin een fascist noemen. Maar hij oogstte net als Wilders op dezelfde voedingsbodem als de fascisten van voor de oorlog: ongenoegen, onbehagen, onvrede. Als die voedingsbodem in de maatschappij ligt, is het logisch dat er een politieke uitlaatklep voor wordt gevonden.

„De wereld van omstreeks 1900 was volkomen nieuw voor de mensen van toen. Spectaculaire uitvindingen: vliegtuigen, auto’s, telefoon, film, radio. Baanbrekende ideeën: Einstein, Freud. Alles stond te tollen. Dat ging sommige mensen allemaal te snel. Dat zie ik ook nu gebeuren. De overheid heeft een taak: de mensen erbij houden. Innovaties moeten kunnen landen in de samenleving. Iedereen moet op de wagen blijven.

„George Kettman, dichter en lange tijd hoofdredacteur van Volk en Vaderland, zei na de oorlog tegen zijn zoon: ‘Dat we de oorlog hebben verloren, wil nog niet zeggen dat we ons hebben vergist.’ Je kunt het fascisme wel verslaan, maar daarmee is de voedingsbodem niet weg.”