Kwestie rond VVD-voorzitter kent nog veel losse eindjes

Henry Keizer kon dankzij een lage waardebepaling veel verdienen aan de overname van crematiebedrijf De Facultatieve.

Foto Jerry Lampen/ANP

Kreeg Henry Keizer, de voorzitter van de VVD, in zijn hoedanigheid van zakenman voor een schijntje een miljoenenbedrijf?

Dat was de vraag die Keizer vrijdagochtend in een bijna twee uur durende sessie ontkennend probeerde te beantwoorden. Dat deed hij in een villa in Scheveningen, het hoofdkwartier van zijn eigen bedrijf: een keten van crematoria met meer dan 100 miljoen euro omzet toen hij die hij samen met zijn directieleden in 2012 verwierf.

En precies deze transactie staat nu al een week centraal. Was het een normale aankoop of werd het ‘bemachtigd’? De VVD-voorzitter was directeur van het bedrijf dat hij zelf kocht én hij was adviseur van de verkoper, de crematoriumvereniging die zijn commerciële activiteiten afstootte. Keizer en zijn directieleden kochten beheermaatschappij De Facultatieve voor 12,5 miljoen euro. Maar in zijn eigen jaarverslag meldde het bedrijf 31,5 miljoen waard te zijn.

„We hebben een hele goede deal gedaan, maar het was zeker geen prikkie.” Afgelopen jaar ging er 3 miljoen als dividend naar Keizer en zijn partners, denkt hij. Het jaar ervoor 2 miljoen euro, terwijl er een half miljoen zelf werd geïnvesteerd. Dat is inderdaad een goede deal. Hoe sterk is Keizers verweer? De vijf meest in het oog springende punten.

1. De waardebepaling

Keizer vormde in 2012 met drie andere directieleden het dagelijks bestuur van beheermaatschappij De Facultatieve. Volgens de VVD’er vroeg de Koninklijke Vereniging voor Facultatieve Crematie, op dat moment 100 procent eigenaar van de beheermaatschappij, aan de directie om de zaak zelf te kopen.

De vereniging wilde geen buitenlandse koper en geen partij die de boel zou opsplitsen. Daarom wilde de vereniging niet met andere partijen onderhandelen, maar de zaak discreet beklinken. Dat is een onzakelijke houding maar past wel in de crematoriumwereld waarin iedereen elkaar kent en dubbelfuncties deelt.

Er kwamen drie ‘onafhankelijke’ rapporten van taxateurs die het bedrijf op waarde schatten. Schattingen tot wel 40 miljoen euro volgden. Maar dat was de ‘ondernemingswaarde’. Om te kijken wat de aandelen waard waren, trokken de taxateurs de schulden er vanaf. Wat overbleef waren taxaties van 6 tot 19 miljoen die de heren aan de onderhandelingstafel middelden op 12,5 miljoen euro. Dat werd de overnamesom.

Opmerkelijk daarin is dat de eigen boekhouding van veel hogere bedragen melding maakte, terwijl de bezittingen van de crematoriumketen al terughoudend werden gewaardeerd. Het hielp overigens dat Keizer en de zijnen relatief veel verdienen. Het salaris van de vier directieleden van 2 miljoen vertegenwoordigt bijna 10 procent van alle personeelskosten van de ruim 700 werknemers – een sterk gedenivelleerd beloningsbeleid. Om het gevolg hiervan te schetsen: als de directie 1 miljoen verdiende in plaats van 2, is er jaarlijks netto al snel een half miljoen extra over voor de onderneming. De taxateurs waren dan op een taxatie uitgekomen die misschien wel 10 miljoen euro hoger uitkwam, want beursgenoteerde crematiebedrijven in het buitenland zijn tot wel twintigmaal hun winst waard.

Op één punt heeft Keizer zonder meer gelijk: „Over waarde kun je altijd twisten.”

2. Het pettenprobleem

De wijze waarop de deal werd gesloten blijft echter vragen oproepen door de dubbelrol van Keizer. Vrijdag bezwoer hij dat hij op het moment suprême zich niet met de deal bemoeide toen de verkopende partij, waarvan hij adviseur was, moest beslissen of er tegen 12,5 miljoen euro aan hem werd verkocht.

VVD-collega Loek Hermans was commissaris bij de te verkopen dochter en adviseerde ook de verkoper als lid van de ledenraad. En hij hield toezicht op de koper. Dit is allemaal ook geen punt, want de commissarissen speelden volgens Keizer helemaal geen rol in de deal. „Het was een aandelentransactie.”

Die vermenging van functies loopt als een rode draad door Keizers activiteiten. Tegenwoordig is hij zelf ook weer voorzitter van de vereniging en is hij secretaris van het goededoelenfonds waarin alle rijkdom van de oude vereniging is ondergebracht. Dat fonds doneert aan Stichting Hulphond Nederland en Stichting Zeldzame Ziekten Fonds waar Keizer weer in de raad van advies zit. „Als je in Nederland actief bent, kom je overal mensen tegen”, legde Keizer uit.

Ook hier trok hij zich weer even terug zodra besluitvorming aan de orde was, zei hij, om er snel aan toe te voegen dat het prima donaties zijn.

3. De ondoorzichtigheid

De wijze waarop de crematoriumketen werd verkocht was zoals private-equity-investeerders dat vaak doen. Het overnamedoelwit financiert zijn eigen overname door zelf te lenen bij de bank en doordat de koper aanwezig kasgeld voor de overname gebruikt. Bij de overname van de keten zat er 36 miljoen euro in kas.

Keizer benadrukte dat „hij” en zijn partners meer dan 30 miljoen bij de bank leenden voor de overname. Maar hij erkende stukje bij beetje dat het om een lager bedrag ging, en dat niet hij zelf leende maar het bedrijf waarvan hij eigenaar werd.

Waarom stonden die bedragen niet in de jaarverslagen, was de vraag. „Ik ben ook geen boekhouder”, verdedigde Keizer. Hij wist evenmin waarom de raad van commissarissen jarenlang geen eigen verslagen in de jaarrekeningen deponeerde.

Alle kosten van de taxateurs en notarissen zijn volgens Keizer verdeeld tussen koper en verkoper, maar dat is niet terug te vinden in de jaarrekeningen.

Door al die onduidelijkheid toonde hij ook wel enig inlevingsvermogen voor de buitenstaanders die zich verbazen. „Ik moet eerlijk zeggen, als je alle jaarstukken leest, dan begrijp ik dat je denkt ‘poeh, poeh, poeh. Wat is hier gebeurd?’”

4. Geen toezicht en medezeggenschap

Bestuursvoorzitter en grootaandeelhouder Henry Keizer houdt niet van externe bemoeienis. Zo vond hij het niet nodig dat zijn bedrijf, na de overname eind 2012, nog een raad van commissarissen zou hebben. Deze werd de facto opgeheven. Dat is niet wettelijk verplicht maar zeer ongebruikelijk voor bedrijven van enige omvang. De reden: „Wij zijn het bestuur en wij zijn de aandeelhouders. Daar sta je dan als raad van commissarissen onder én boven in de hiërarchie. Dat leek ons niet handig.”

Wat betreft medezeggenschap is het opmerkelijk dat de Facultatieve geen ondernemingsraad heeft. Dat is volgens de Wet op de ondernemingsraden verplicht voor bedrijven met minimaal 50 mensen in dienst; bij De Facultatieve werken er ruim 700. „Ik ken die regels niet”, zegt Keizer desgevraagd. „We hebben in elk geval nog nooit een ondernemingsraad gehad.”

Peter Bloemendaal die namens vakbond CNV Dienstenbond geregeld met Keizer om de tafel zit voor CAO-overleg, wist niet dat De Facultatieve geen OR heeft. „Dat is erg ongebruikelijk voor zo’n groot bedrijf.” Het is weliswaar verplicht maar geen economisch delict als een ondernemer geen OR installeert. Een werknemer of een vakvereniging zou wel via de kantonrechter de oprichting van een ondernemingsraad kunnen afdwingen. Bloemendaal: „Maar er moeten wel ook mensen voor beschikbaar zijn.”

5. Integriteit

Voor Henry Keizer was de persconferentie van vrijdagochtend het moment om „volledige openheid van zaken te geven”. Hij vindt dat hij daarmee de „kernvragen” over de beschuldigingen van zelfverrijking en belangenverstrengeling voldoende heeft beantwoord. Een onafhankelijk extern onderzoek acht hij niet nodig. En intern onderzoek door de integriteitscommissie van zijn partij evenmin. „Op dat punt ben ik nog niet.” Het hoofdbestuur zou zelf om zo’n onderzoek kunnen vragen. Mocht het ter sprake komen, dan zal Keizer daar als voorzitter „uiteraard geen stem in hebben”. Wel zei hij beschikbaar te zullen zijn als zo’n nader onderzoek toch volgt. Een woordvoerder van de VVD laat weten dat de integriteitscommissie de stukken gaat bestuderen die Henry Keizer openbaar heeft gemaakt. „Op basis daarvan bepaalt de commissie of er een onderzoek nodig is.”