Arnon Grunberg over Israël: ‘Is dit mijn schande?’

Israël

Schrijver Arnon Grunberg bezocht Israël heel vaak, als schrijver, zoon en broer. „Eerder voel ik mij een ramptoerist dan een morele getuige.”

Illustratie Milan Hulsing

1

In 1982, ik was toen elf, ging mijn acht jaar oudere en enige zus Maniou-Louise op alyjah, dat wil zeggen, ze verhuisde naar Israël, ze vervulde haar zionistische droom. Ze gaf haar studie medicijnen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op en ging psychologie studeren aan de Bar-Ilan Universiteit in Ramat Gan.

Allebei zaten we op de zionistisch-religieuze jeugdvereniging Bne Akiwa. ‘Thora we’avoda’ (thora en werk) was het motto van die vereniging. Ik ging er met gezonde tegenzin heen, niet omdat ik tegen het zionisme was, maar omdat ik het clubhuis (genaamd mo’adon) vies vond. Er liepen muizen rond en ik was bang voor muizen. De gezamenlijke maaltijden waren niet lekker, de andere leden van de jeugdvereniging vond ik onsympathiek of ik was bang voor hen, soms een combinatie van beide, en de propaganda voor zowel de staat Israël als God vond ik doorzichtig. Hoewel ik me nog goed herinner dat we op een zaterdagavond in de winter onder het toeziend oog van de madriech (de jeugdleider) naar een speelfilm keken over de Israëlische operatie om gegijzelde passagiers op het vliegveld van Entebbe te bevrijden. Die film beviel me. Niet dat ik er zionistisch van werd, voor zover ik dat niet zonder het te weten was, maar deze propaganda was in elk geval onderhoudend, wat van de meeste andere propaganda van Bne Akiwa – en van propaganda in het algemeen – niet kon worden gezegd.

Ik was religieus opgevoed – mijn vader was agnostisch, mijn moeder daarentegen hechtte aan de joodse traditie – ik bereidde me voor op mijn bar mitswah, ging elke zaterdag naar de synagoge en at min of meer koosjer, omdat dat van mij werd verwacht. Ik onderwierp mij aan het jodendom en het zionisme zoals ik mij op het gymnasium aan lessen Latijn en Oud-Grieks zou gaan onderwerpen.

In de zomer van 1982 begeleidden mijn moeder en ik mijn zus naar Israël. Zij ging op oelpan, waar zij haar Hebreeuws perfectioneerde, en ik liep met mijn moeder hele dagen door Jeruzalem. Ook maakten we uitstapjes naar Bethlehem en Hebron, steden die toen nog toegankelijk waren voor toeristen van alle nationaliteiten. De bezette gebieden waren niet bezet, althans niet volgens mijn zus en moeder.

Had ik een van deze dansende nationalisten kunnen worden?

Omdat ik dacht dat dat van mij werd verwacht, liep ik met een keppeltje rond, iets wat ik in Nederland nooit deed, en ik had zelfs een arba kanfot aangetrokken, een gebedskleed dat je onder je kleren draagt. De tsiestsiet, de draadjes, hingen uit mijn T-shirt. Ik zag eruit zoals een gemotiveerd lid van Bne Akiwa eruit hoort te zien.

Op een hete middag bezochten mijn moeder en ik samen met een groep andere toeristen, voornamelijk Amerikanen, Hebron. Ook een bezoek aan een glasblazerij stond op het programma. Ik stond naar een van de glasblazers te kijken, toen hij zich langzaam omdraaide en mij monsterde. Dat monsteren duurde een paar seconden. Vervolgens spoog hij naast mijn voeten op de grond.

Mijn moeder trok mij weg. Ik keek om en zag dat hij andere toeristen ongemoeid liet, qua spuug.

Wat had hij in mij gezien? Een al te braaf lid van de Bne Akiwah, oftewel de vijand van hem en zijn volk?

Mijn moeder zei: „Zag je die Palestijn? Zag je die haat in zijn ogen?”

Het was de eerste keer dat ik bewust een Palestijn zag. Ik begreep niet waarom hij mij zou haten terwijl ik hem niet haatte.

Op het vliegveld van Ben-Goerion nam ik samen met mijn moeder een paar weken later afscheid van mijn zus. Mijn zus had een kamer gevonden op de campus van Bar-Ilan, ze was klaar voor haar nieuwe leven. Ook had ze haar naam veranderd in Ma’anit.

Terug in Amsterdam deed ik mijn keppeltje af en mijn arba kanfot uit. Dat vonden mijn ouders ook prettiger. „Niet iedereen hoeft te zien dat je Joods bent,” zei mijn vader.

In de synagoge vroeg een oudere heer of ik later net als mijn zus naar Israël wilde. „Nee,” zei ik. „Ik wil clown worden.”

Op de een of andere manier had ik begrepen dat het Joodse land geen geschikte plek is voor clowns.

2

Op zondag 5 juni 2016 woon ik in Jeruzalem de Jom Jerusalayim-parade bij. Het is de eerste keer dat ik een dergelijke parade bijwoon, hoewel ik intussen bijna dertig keer in Israël moet zijn geweest. Op Jom Jerusalayim wordt de ‘hereniging’ van Jeruzalem gevierd, een van de neveneffecten van de Zesdaagse Oorlog. Er is uiteraard ook een ander verhaal; waar de een bevrijding ziet, ziet de ander bezetting, onderdrukking en etnische zuivering. En precies daarom ben ik hier, om dat andere verhaal te belichten.

Een actualiteitenprogramma van de Nederlandse televisie volgt mij. Ze vinden het interessant, een Joodse schrijver die op uitnodiging van de ngo Breaking the Silence de bezette gebieden bezoekt. Pikant, vooral omdat de schrijver een zus heeft die in een nederzetting (Dolev) woont. Maar ben ik een Joodse schrijver? Dan toch liever een Europese schrijver, inmiddels woonachtig in Amerika. Ach, wat ik al op mijn elfde deed, doe ik nog steeds, zij het kundiger en misschien ook iets ironischer: ik pas me aan. Als ik hier de Joodse schrijver moet uithangen, dan zal ik dat doen.

We lopen door de oude stad van Jeruzalem, waar veel Palestijnse winkeliers zijn gesommeerd die dag hun winkels te sluiten. Een van de winkeliers vertelt ons, met hulp van een vertaalster, dat alle winkels moeten sluiten omdat anders hun voorraden vernield en geplunderd zouden kunnen worden. In een rechtsstaat verwacht je dat het eigendomsrecht beschermd wordt tegen vandalen en woedende menigten, maar hier is alles anders. Ik ben hier om te getuigen dat op deze plek alles anders is. Of juist niet?

In discussies, in artikelen, in boeken over wat hier maar even Het Conflict moet worden genoemd, wordt altijd de uniciteit benadrukt, de uniciteit van Israël, de uniciteit van het conflict. Is het niet die vermeende of misschien ook werkelijke uniciteit die als een mistdeken is gaan fungeren? Wie zich beroept op zijn uniciteit heeft het recht buiten de orde te vallen.

Af en toe komen nu al – terwijl de echte optocht nog moet beginnen – zingende en dansende groepjes jongeren voorbij met grote Israëlische vlaggen in hun hand. Ze hebben iets intimiderends, maar een menigte die met vlaggen zwaait heeft al snel iets intimiderends. De hysterische, nationalistische uitbundigheid doet me denken aan voetbalsupporters, iets wat ik later ook op de Nederlandse televisie zal beweren. Na de uitzending zal een dame mij terechtwijzen dat het Palestijns-Israëlische conflict geen voetbalwedstrijd is. Ze suggereert dat ik het conflict niet serieus neem, dat ik het relativeer, de gevolgen niet onder ogen wil zien, dat ik normaliseer wat niet genormaliseerd zou mogen worden. Ze heeft ten dele gelijk, het conflict is geen voetbalwedstrijd, er staat hier meer op het spel dan een overwinning bij een voetbalwedstrijd.

Ik ben hier om te getuigen dat op deze plek alles anders is. Of juist niet?

Maar associaties zijn vaak onthullend. In het naoorlogse Europa was nationalisme lang een bijproduct van voetbalwedstrijden, iets waarvoor de Europeanen niet dankbaar genoeg kunnen zijn, al was het maar omdat het de vraag is of dat zo zal blijven.

De dame raakte hoe dan ook een gevoelig punt: het paraderen met vlaggen door de straten is weliswaar intimiderend, maar ik heb ook moeite het serieus te nemen. Moet je om dit conflict werkelijk te begrijpen niet ook het nationalisme serieus kunnen nemen? Getuigt het niet van hooghartigheid te menen dat het nationalisme een atavistisch gebruik is?

Omdat ik de makers van het televisieprogramma ter wille wil zijn spreek ik een paar meisjes aan die door een steegje lopen, zo te zien kolonisten, althans aanhangers van Bne Akiwa. Je moet oppassen met generalisaties maar zeker in Israël gaat ideologie gepaard met uitgesproken en vaak ook onuitgesproken kledingvoorschriften.

Zelfs de simpele vraag „waar komen jullie vandaan?” blijkt al voor achterdocht te zorgen. „Wij horen hier thuis”, zegt een van de meisjes nogal agressief, „wij komen nergens vandaan.”

Ik maak duidelijk dat mijn vraag geen bijbedoelingen heeft en pas dan zijn ze bereid te vertellen dat ze uit Hebron komen.

Kolonisten. Een woord dat verwarring kan wekken, alsof er maar een soort kolonist is. Is mijn zus een koloniste? Zeker. Ze is ook nog ideologisch overtuigd van haar gelijk. Ze zit daar niet omdat de huizen in Dolev zo goedkoop en de tuinen zo groen zijn. Ze zit er om het land te beschermen tegen de vijand. Omdat het haar land is, omdat in de Thora staat dat het van de Joden is.

Haar land, niet mijn land. Moet je een land hebben? Mag je overal te gast zijn? Of heeft het verleden bewezen dat een dergelijke levenshouding op den duur onhoudbaar is?

Zelfs de simpele vraag „waar komen jullie vandaan?” blijkt al voor achterdocht te zorgen

Een paar jaar geleden beweerde een Nederlandse publicist dat Palestijnen het recht hadden om zich gewapend te verzetten tegen kolonisten, dat wil zeggen ook, juridisch gezien, zo interpreteerde hij althans het oorlogsrecht, om kolonisten te doden. Ik kon de juridische redenering weliswaar volgen, maar de wat abstracte redenering werd door mijn zus toch wel erg persoonlijk. Zou mijn zus gedood mogen worden? Uiteraard niet, ik waag zelfs te betwijfelen of het moreel gezien juist is je zus op te offeren, zelfs als dat offer vrede zou bewerkstelligen. Het valt mij niet moeilijk om alleen voor geweldloos verzet en vreedzame burgerlijke ongehoorzaamheid te zijn, maar principes zeggen vaak iets over de privileges van degene die zich op zijn principes beroept.

Als de meisjes uit Hebron de camera’s zien, maken ze duidelijk buitenlandse media niet te vertrouwen. Ook een principe: de buitenlandse media zijn tegen ons. Alle media zijn tegen ons, behalve de media die wij goedkeuren.

Ik doe mijn best het Hebreeuws dat ik me nog herinner uit mijn jeugd op te halen. Mijn voornaam werkt ook in mijn voordeel. Misschien ben ik toch geen vijand.

Dan zien de meisjes Yehuda Shaul, oprichter van Breaking the Silence, ze herkennen hem. Als ze christenen waren zou je kunnen zeggen dat ze in Yehuda Shaul de antichrist zagen. Zo kijken ze naar hem. Zo deinzen ze terug. Zo ontzet is hun reactie. Maar de duivel speelt in de Joodse mythologie een zeer ondergeschikte rol. Laten we zeggen dat ze in Shaul een slang zagen aan wiens dubbele tong niemand zou moeten worden blootgesteld. Ze slaan nog een paar scheldwoorden uit en en passant waarschuwen ze andere meisjes niet met mij te spreken. Ik hoor bij Shaul, ben dus ook een slang.

Een paar uur later sta ik in het westelijk gedeelte van de stad, waar zich op dat moment het hoogtepunt van de manifestatie bevindt, de optocht ontrolt zich voor mijn ogen. Waar ik eerst nog dacht aan voetbalwedstrijden, denk ik nu aan de Sovjet-Unie. China misschien. Alsof de staat burgers uitnodigt tot nationalistisch enthousiasme en de burger deze uitnodiging niet naast zich neer kan leggen. Maar de staat is hier Bne Akiwa, en vermoedelijk aan Bne Akiwa gerelateerde yeshiva’s (religieuze scholen).

Een paar families zie ik, maar verder vooral jongens en meisjes van tussen de 12 en de 20 die in vrijwel identieke kleding, witte blouse, blauwe broek (het officieuze uniform van Bne Akiwa) rondmarcheren. Of beter gezegd, ze rukken op, richting oude stad.

Je zou ook aan carnaval kunnen denken maar daarvoor ontbreken de praalwagens en de met alcohol vermengde erotiek. Van erotiek is hier geen sprake, deze extase staat los van lust.

Van erotiek is hier geen sprake, deze extase staat los van lust

Hier hoorde ik bij. Ik was lid van deze club, weliswaar vooral omdat mijn zus zo’n overtuigd en fanatiek lid was, maar toch. Had ik een van deze dansende en zingende nationalisten kunnen worden? Nee, onmogelijk en voor die conclusie hoef je niet eens een fanatiek aanhanger van de vrije wil te zijn. Ik had het gewoonweg niet in mij om een Joodse nationalist te worden, ik wilde clown worden.

Een jongeman die betrekkelijk goed Engels spreekt is bereid enkele vragen te beantwoorden. Hij zegt een blog bij te houden waarop hij de waarheid over Het Conflict publiceert en begint aan een boutade tegen de media die allemaal tegen Israël zouden zijn. Tegen Joden. Antisemieten. Als vertegenwoordiger van de buitenlandse media ben ik uiteraard een antisemiet, misschien zonder het zelf te weten, maar dat doet er niet toe.

Geen nationalisme zonder paranoia, maar vooral het religieus getinte nationalisme in Israël lijkt nauwelijks meer van paranoia te onderscheiden.

De presentatrice van het televisieprogramma bemoeit zich met het gesprek, kennelijk vindt ze dat ik de stroom van verdachtmakingen en insinuaties niet adequaat genoeg onderbreek.

„Hij is ook Joods,” zegt ze en ze wijst op mij.

Ik ben ontmaskerd. De jongeman kijkt mij achteloos aan en zegt dan: „Dan is hij een zelf-hatende Jood.”

Na een korte koffiepauze – ik heb genoeg van de deprimerende optocht – vervolgen we onze weg naar de tegendemonstratie.

Op een kleine verhoging, afgescheiden door agenten, staat links Israël. Een paar honderd man. Op iedere tien tegendemonstranten een agent, zou ik zeggen.

Een oudere dame die oorspronkelijk uit Zuid-Afrika komt, verklaart de geringe opkomst door onverschilligheid. „Er zijn er meer die denken zoals wij,” zegt ze, „maar ze blijven thuis. Ik kom, zolang ik nog kracht heb.”

Een meisje legt uit dat ook de tegendemonstranten met Israëlische vlaggen zwaaien om duidelijk te maken dat de vlag niet aan Bne Akiwa en de rest van het religieus-rechtse kamp toebehoort. „Het is ook onze vlag,” zegt ze.

We lopen in de richting van de oude stad. De parade zit erop. Weinig tot geen ongeregeldheden dit jaar. „Het is elk jaar hetzelfde,” zegt de dame van het televisieprogramma, die al enige tijd correspondente is in Israël. „Het is ook een soort theater. Een toneelstuk.”

Het klinkt alsof ze me wil troosten, maar ik vind het geen troost.

Illustratie Milan Hulsing

3

Op dinsdagochtend staan wij in alle vroegte bij checkpoint Qalandia. Wij, dat zijn een handjevol schrijvers en een fotograaf. Dit is het checkpoint waar dagelijks duizenden Palestijnen de grens passeren om in Israël te werken. Er zijn ook nog duizenden Palestijnen die illegaal in Israël werken, onder nog slechtere arbeidsomstandigheden dan de Palestijnen die het legaal doen. Vrijwel overal waar de staat de grenzen sluit passeren illegalen de grens om als arbeider uitgebuit te worden in het land van hun dromen, althans de plek waar ze het net iets minder slecht hoopten te hebben dan thuis.

Wij zijn hier met Hannah Barag, een Israëlische dame van in de tachtig die lid is van Machom Watch, een organisatie die bestaat uit circa 250 Israëlische dames van een zekere leeftijd en die onder andere naar checkpoints gaat waar Palestijnen de grens die geen grens mag worden genoemd passeren, om te getuigen wat daar gebeurt. Jongere vrouwen, zegt Barag, hebben werk of een familie en kunnen niet uren bij een checkpoint staan.

Barag zegt: „Wat je hier ziet is de kwaadaardige bureaucratie van de bezetting. Je hebt geen soldaat nodig op iedere hoek van de straat om over een volk te heersen, de kwaadaardige bureaucratie voldoet.”

Vrijwel overal waar de staat de grenzen sluit passeren illegalen de grens om als arbeider uitgebuit te worden in het land van hun dromen, althans de plek waar ze het net iets minder slecht hoopten te hebben dan thuis

Ik kijk naar de mannen, uitsluitend mannen, die in de rij staan voor poortjes die elektronisch worden geopend en gesloten, zodat ze verder kunnen naar het loket. Als de poortjes openen rennen de mannen, bang dat ze te laat komen voor hun werk.

De hekken, de poortjes, het stille en toch wanhopige gedrang doet aan vee denken, maar deze gedachten onderdruk ik. Sommige metaforen verdoezelen in plaats van te verhelderen.

Barag legt uit dat de Palestijnen zonder verklaring op lijsten kunnen komen waardoor ze hun vergunning om in Israël te werken verliezen.

„Er zijn verschillende soorten lijsten,” zegt Barag. „De eerste is van de geheime dienst, de shabak, daarop staan ongeveer 350.000 Palestijnen. De shabak controleert niet iedereen afzonderlijk, dus ze weten vaak zelf niet wie er op de lijst staan. Met andere woorden, lang niet iedereen op die lijst is een terrorist, sterker nog de meeste mensen die op die lijst staan hebben niets met terrorisme te maken. Je kunt van de lijst afkomen maar dat is een ingewikkelde bureaucratische procedure. Om voor de tweede keer in beroep te gaan moet je een jaar wachten. Als je dat beroep een dag te vroeg indient moet je weer een jaar wachten. Er zijn advocaten die hier handel in zien.”

Het dringt tot me door dat dit inderdaad het subtiele maar wezenlijke wapen is om te onderdrukken. Het bureaucratisch monster dat nauwelijks meer geweld hoeft in te zetten om effectief te kunnen knechten. Wat er nog nodig is aan gevangenissen en militaire processen getuigt hooguit dat de bureaucratie nog niet voor de volle honderd procent effectief is.

Ook al ben ik geen inwoner van dit land, is dit mijn schande?

Ruim een maand later bel ik Barag met de vraag of er sinds ons bezoek iets veranderd is. „Niet veel,” zegt ze. „Er zijn 58.000 werkvergunningen ingetrokken. Dat is nieuw. Dat heeft niet zozeer met aanslagen te maken. Het is het werk van de nieuwe Israëlische minister van Defensie, Lieberman. Hij gelooft erg in de effectiviteit van collectief straffen.”

Ze vertelt over de vierde ‘security list’, een vrij recente uitvinding. Op deze lijst komen, volgens Barag, Palestijnen terecht die collectief worden gestraft. Niet eens de pretentie van schuld of een overtreding wordt volgehouden.

„Maar ik denk dat deze vierde lijst niet lang stand zal houden. De Israëlische werkgevers protesteren. Ze hebben goedkope arbeidskrachten nodig,” zegt Barag.

Soms, maar helaas niet altijd, staat de economie op gespannen voet met het fundamentalistische geloof in het nut van collectieve straffen.

Barag doet me aan mijn moeder denken, dezelfde tengerheid, dezelfde felheid, net zo klein, maar mijn moeder zou nooit bij een checkpoint zijn gaan staan in een poging Palestijnse arbeiders te beschermen tegen onrecht. Of op zijn minst, in een poging het onrecht te documenteren, getuige te zijn van de kwaadaardigheid van de bureaucratie van de bezetting, zoals Barag dat noemt.

De Israëlische filosoof Avishai Margalit maakt onderscheid tussen getuigen en morele getuigen. De morele getuige zou niet alleen het onrecht moeten waarnemen maar er ook onder te lijden moeten hebben of bereid zijn zich ertegen te verzetten. Ben ik een morele getuige? Ik twijfel. Maakt schrijven mij al tot een morele getuige? Te weinig. Eerder voel ik mij een ramptoerist dan een morele getuige. Een onsmakelijk gevoel.

Barag zegt dat de checkpoints vaak te laat opengaan, waardoor arbeiders weer te laat op hun werk komen. Als waarnemers van Machsom Watch dat merken bellen ze met de commandant van het checkpoint en dat wil nog weleens helpen. „We zijn Machsom Watch in februari 2001 begonnen,” vertelt Barag. „Ik vind het moeilijk te zeggen wat we hebben bereikt. De wachttijden waren eerst drie à vier uur, nu zijn ze gemiddeld negentig minuten maar dat heeft er ook mee te maken dat het systeem gecomputeriseerd is. De poorten gingen eerst open om zes uur, nu gaan ze open om vier uur. Heb je dan iets bereikt? Je hebt het systeem niet veranderd, maar je maakt een situatie iets leefbaarder.”

Ook heeft haar organisatie al tientallen Palestijnen geholpen om van de lijst te komen, de lijst waarop Palestijnen zouden staan die een terroristische bedreiging vormen of om andere redenen geen werkvergunning kunnen krijgen.

Willekeur, het bijproduct van ongecontroleerde macht.

Er is een aparte poort voor vrouwen en kinderen. „Dit wordt de humanitaire poort genoemd,” zegt Barag, „maar ik weet niet wat er humanitair aan is. Deze poort is alleen van 6 tot kwart voor 7 open maar meestal gaan ze pas om kwart over zes open.”

„Wij veranderen het systeem niet,” zegt Barag, „maar ik denk dat het systeem in elkaar zal storten. Dat is mijn persoonlijke mening. Er broeit iets, een nieuwe crisis. We hebben al een oud-president en een oud-premier in de gevangenis en dat heeft het systeem niet doen instorten. Maar op een dag zal het instorten. ”

Na een uur of twee verlaten wij het checkpoint. We hebben genoeg gezien. Er staat nog steeds een lange rij met Palestijnse arbeiders.

In 2007 maakte ik een reportage over het Israëlische leger. Ik kreeg een tour langs een gedeelte van de muur waarvan de bouw onder Arik Sharon ten tijde van de Tweede Intifada is begonnen. Een behulpzame persofficier legde me uit hoe succesvol die muur was in de strijd tegen het terrorisme.

Ik kan me nu niet aan de indruk onttrekken dat de bouw van de muur tevens bedoeld is om een bevolking effectiever te controleren en om de Israëlische ondernemers goedkope arbeidskrachten te verschaffen.

Terug in de auto vraag ik me af hoe we terrorisme kunnen onderscheiden van verzet dat wel legitiem is. Volgens de aanhangers van Bne Akiwa, en niet alleen volgens hen vrees ik, is geen enkel Palestijns verzet tegen de staat Israël, zelfs niet het meest vreedzame, legitiem.

En kun je nog wel geloven dat de bezetting het probleem is, dat het probleem verdwijnt als de kolonisten verdwijnen, dat de kwaadaardige bureaucratie dan ook zal verdwijnen? Steeds meer komt het geloof in de tweestatenoplossing mij voor als een van betekenis beroofd ritueel.

Sceptisch was ik al in 2007 toen ik de reportage maakte over het Israëlische leger maar bij het Qalandia Checkpoint verwordt de scepsis tot een vraag: is dit de zionistische droom waarvoor mijn zus in 1982 Nederland heeft verlaten? Dan toch eerder een zionistische nachtmerrie.

De volgende avond zal in een restaurant in Tel Aviv de Israëlische schrijver Nir Baram tegen me zeggen: „Zolang ik me herinner roepen mensen dat de status quo niet kan voortduren, maar ik vrees dat de status quo nog decennia kan voortduren.”

Decennia. Barag dacht daar dus anders over, maar gezien haar leeftijd heeft ze natuurlijk ook meer haast.

Is Qalandia erger dan checkpoints in andere landen waar mensen worden onderdrukt en uitgebuit? Is het Israëlisch systeem erger dan soortgelijke systemen die nog altijd welig tieren op deze wereld? Doen deze vragen ter zake?

Is het waar wat Bertolt Brecht zei, dat iedereen over zijn eigen schande moet spreken?

En ook al ben ik geen inwoner van dit land, is dit mijn schande?

Illustratie Milan Hulsing

4

In de lobby van mijn hotel in Oost-Jeruzalem zit ik tegenover Gerard Horton en Salwa Duaibis van Military Court Watch, zij zullen mij begeleiden naar Ofer, een militaire rechtbank en detentiecentrum dat zich zo ongeveer op de grens bevindt tussen Palestijns gebied en het gebied dat Israël claimt, oftewel gebied dat zich aan de ene kant van de muur bevindt en het gebied aan de andere kant van de muur.

Voor we naar de rechtbank gaan legt Horton uit wat de organisatie doet: het documenteren van de behandeling van minderjarigen in Israëlische militaire detentie. Hij voegt eraan toe: „Waarmee minderjarigen te maken hebben in het militaire detentiecentrum is ongeveer hetzelfde als waarmee meerderjarigen te maken hebben.”

Vanaf twaalf jaar hebben minderjarigen, zowel in Israël als voor de Israëlische militaire rechtbanken in de Palestijnse gebieden, criminele verantwoordelijkheid en kunnen ze berecht en gestraft worden.

Horton vertelt dat veel minderjarigen verklaren bij hun aanhouding slecht behandeld te zijn. De meesten worden geblinddoekt en velen worden gehandboeid op de grond in militaire voertuigen geplaatst, wat de kans op verwondingen vergroot. Velen worden bedreigd tijdens de ondervraging, soms zelfs met verkrachting. In het overgrote deel van de gevallen verzuimt men de minderjarige gevangenen te vertellen dat ze het recht hebben om te zwijgen.

Ik denk aan Hannah Barag. Waar geobserveerd wordt heeft de macht de neiging zich iets minder willekeurig te gedragen.

Horton, een bedrijfsadvocaat uit Australië – hij kwam hier bijna acht jaar geleden – zegt: „Als je zoveel mensen als er wonen in de bezette gebieden wenst te controleren heb je drie mogelijkheden: Vermoorden, verdrijven of onderdrukken. Israël heeft voor de minst erge mogelijkheid gekozen.”

Vanaf twaalf jaar hebben minderjarigen criminele verantwoordelijkheid en kunnen ze berecht en gestraft worden

Ik wacht of er nog iets komt, bestudeer het gezicht van Horton maar ik ontdek geen ironie.

„Als het gaat om Israël in staat van beschuldiging te stellen voor het Internationale Gerechtshof in Den Haag wordt vaak gesproken over de Gaza-oorlog, maar dat zou een vrij ingewikkelde zaak zijn. Maar onder het vierde Verdrag van Genève mogen Palestijnen uit de bezette gebieden niet worden opgesloten in gevangenissen in Israël, buiten de bezette gebieden. Dat gebeurt echter al bijna vijftig jaar op grote schaal.”

„Maar denk je dat Israël ooit aangeklaagd zal worden in Den Haag?” vraag ik.

Horton haalt zijn schouders op. „Israël is geen partij bij het Statuut van Rome van het ICC, maar Palestina wel. De aanklager is momenteel bezig met een vooronderzoek waarbij diverse problemen worden bekeken. Je moet niets uitsluiten.”

Horton zegt dat de militaire processen in veel opzichten niet voldoen aan wat wordt beschouwd als een eerlijk en onpartijdig proces. Meer dan 99 procent van de aangeklaagden wordt veroordeeld. Als Palestijnse advocaten proberen boycots van de rechtbanken te organiseren, eist de aanklager veel zwaardere straffen .

We rijden naar Ofer. Op een soort van binnenplaats wachten Palestijnen om het proces tegen hun familielid bij te wonen. Vanwege de ramadan eten of drinken de Palestijnen niet.

Na een halfuurtje mogen we een proces bijwonen.

Drie aangeklaagden, mannen van in de twintig schat ik, zitten op een rijtje.

Naast hen een bewaker. Hij kijkt verveeld. Zijn tsietsiet hangen uit zijn uniform. Zou hij lid zijn geweest van Bne Akiwa?

Aanklager, tolk en rechter zijn militairen.

Een van de verdachten zou met stenen naar militairen hebben gegooid maar zelf zegt hij dat hij alleen in de buurt was toen er met stenen werd gegooid.

De gemiddelde straf voor het gooien met stenen is zes maanden.

Een vrouwelijke advocate komt binnen.

De rechter maakt grapjes met de aanklager.

De advocate zegt dat het ongepast is dat de rechter lacht. De rechter verdedigt zijn recht om te lachen.

De andere advocaat bereidt een papier voor dat ondertekend moet worden.

De aangeklaagden zitten er ongeïnteresseerd, ja bijna verveeld bij. Alsof ze de zaak al hebben opgegeven.

Na een halfuur geven wij de zaak ook op.

We lopen nog even rond om te kijken of er rechtszaken tegen minderjarigen zijn, maar die zijn momenteel niet gaande, er is lunchpauze.

Illustratie Milan Hulsing

5

Op vrijdagochtend breng ik een verassingbezoek aan mijn zus in Dolev. Ze heeft zeven kinderen en intussen zes kleinkinderen, allemaal aanhangers van Bne Akiwa, de een hooguit wat fanatieker dan de ander.

Toen mijn vader in 1991 stierf was mijn zus hoogzwanger. Ze mocht niet meer vliegen, ze woonde in die tijd in een nederzetting in Gaza, Kfar Darom. Mijn vader is daarom begraven in Jeruzalem.

Omdat mijn moeder in de buurt van mijn vader begraven wilde worden is zij sinds 2015 ook in Jeruzalem. Zo liggen mijn ouders op een begraafplaats in Jeruzalem zonder ooit in Israël te hebben gewoond.

Mijn vader, geboren in Berlijn in 1912, heeft de oorlog op diverse onderduikadressen overleefd. Mijn moeder, geboren in Berlijn in 1927, overleefde de oorlog in diverse kampen. Onvoorwaardelijke loyaliteit aan Israël was voor hen vanzelfsprekend, maar over emigratie hebben ze nooit serieus nagedacht. Mijn vader zei altijd dat het hem te heet was in Israël en mijn moeder zei dat ze er wel heen zou gaan als ze echt oud was. Uiteindelijk ging ze er dus heen als lijk.

Als ik bij mijn zus over de drempel stap, haar huis doet me altijd weer denken aan het clubhuis van Bne Akiwa in Amsterdam, omhelst ze me. Ze vraagt niet wat ik hier doe. Ik vertel het haar ook niet. Dat lijkt me beter.

We spelen tafeltennis in de tuin.

„Heb je mama bezocht?” vraagt mijn zus tijdens het pingpongen.

„Nog niet,” antwoord ik.

Zijn de Joden veiliger omdat Israël bestaat, zoals mijn ouders dachten? Ik betwijfel het. Is het leven in Israël, zoals mijn zus gelooft, voor een Jood, een religieuze plicht? Zijn dergelijke plichten, religieus of niet, niet het begin van alle onverdraagzaamheid?

Al pingpongend denk ik aan Hebron. Op woensdag was ik daar samen met een paar andere schrijvers. In niets deed de stad denken aan de stad die ik in 1982 met mijn moeder bezocht en waar ik in een glasblazerij voor het eerst bewust een Palestijn zag.

„Heb je mama bezocht?” vraagt mijn zus tijdens het pingpongen.

Toen we door de spookstad liepen, kwam een kolonist op ons af, hij had Yehuda Shaul herkend. De man begon te schreeuwen, te schelden. Ik weet niet of hij ook spoog. Israëlische militairen kwamen tussen ons en de kolonist staan.

In zijn boek, dat niet in het Duits vertaald mocht worden, Het transport van Adolf H naar San Cristobal, schrijft George Steiner over een fictieve Adolf H. die na de Tweede Wereldoorlog berecht wordt in Brazilië. Adolf H. claimt dat hij de Joden heeft thuisgebracht, dat het zionisme pas echt levensvatbaar werd, dankzij hem, de Messias.

Een gruwelijke gedachte. Maar de vraag, hoe speculatief ook, blijft reëel: zou er zonder de nazi’s een staat Israël zijn geweest? Ook Ha’aretz-journalist Ari Shavit schrijft in zijn boek Mijn beloofde land: „Maar aan het eind van de 19de eeuw realiseerden de Joden zich dat hoeveel zij ook om Europa gaven, Europa niet om hén gaf.”

Als de Europeanen de Joden iets minder gehaat hadden, had Hanna Barag niet om 4 uur in de ochtend bij een checkpoint de kwaadaardige bureaucratie van de Israëlische bezetting hoeven te documenteren.

Tegelijkertijd besef ik dat Barag het bewijs is dat het reëel bestaande zionisme meer is dan alleen die kwaadaardige bureaucratie.

Misschien heeft Barag gelijk dat het systeem zal instorten, misschien sneller dan wij denken, al weet ik, tafeltennissend met mijn zus, dat die ineenstorting niet noodzakelijkerwijs betekent dat het systeem dat daarop volgt zoveel beter zal zijn.