Recensie

In deze vertelsels klinkt de echo van Roald Dahl

Elke week bespreekt NRC online een nieuw jeugdboek. Deze week: sprookjes van Ransom Riggs, een smakelijke spin-off van de populaire Peregrine-serie.

Is het hebben van een bijzonder talent een vloek of een zegen? Het is een relevante vraag die de Amerikaanse schrijver Ransom Rigss nogal intrigeert, zo blijkt. In zijn vorig jaar door Tim Burton verfilmde trilogie over De bijzondere kinderen van mevrouw Peregrine stipt Riggs de vraag nog maar zijdelings aan. In zijn nieuwe boek Bijzondere vertelsels is deze echter veranderd in de thematische rode draad die de tien zonderlinge verhalen in de bundel met elkaar verbindt. Niet zo gek wanneer je bedenkt dat de ‘vertelsels’ onderdeel zijn van het ‘geliefde culturele erfgoed’ van ‘de bijzonderen’: de in een tijdlus verkerende groep bovennatuurlijk begaafde excentriekelingen uit Riggs’ surrealistische trilogie.

Aangegroeide ledematen

Dat in het obscure openingsverhaal de ledematen van de inwoners van Swampmuck vanzelf weer aangroeien als ze die verliezen, lijkt bijvoorbeeld een zegen. Maar wanneer de moerasboeren bezoek krijgen van enkele beschaafde, doch hongerige kannibalen die willen betalen voor het willekeurig afhakken van ledematen, verandert de zegen in de vloek die hebzucht heet en ‘boer zus’ en ‘boerin zo’ in ‘meneer zus’ en ‘mevrouw zo’. En ook Fergus (die de kracht van waterstromen en getijden kan controleren) merkt hoe zijn gave in de vorm van een alles wegvagende tsunami onbedoeld rampspoed veroorzaakt, waardoor hij noodgedwongen moet vluchten.

Riggs schrijft soepel en zonder franje. Opvallend is dat hij de kunst van het tijdelijk opschorten van het ongeloof ditmaal beter toepast dan in de Peregrine-trilogie. Hij wordt daarbij effectief geholpen door de verbeeldingsrijke houtgravures van Harry Potter-illustrator Andrew Davison, die suggereren dat de verhalen eeuwen terug in de tijd gaan. Dus anders dan bij het schrijven van zijn Peregrine-boeken, die zijn gebaseerd op en worden gestuurd door suggestieve zwart-wit foto’s, kon Riggs zijn fantasie de vrije loop laten. Dat komt de coherentie en spanning van de vertelsels ten goede.

Daarnaast vergroten het fictieve voorwoord en de heerlijk bizarre voetnoten van Miljard Nullings, een van ‘de bijzonderen’, het authentieke karakter van de verhalenbundel.

Een compliment

De oorspronkelijke titel, Tales of the Peculiar, lijkt trouwens een echo van Roald Dahls Tales of the Unexpected. Die echo weerklinkt wel vaker. Zo roept ‘Het meisje dat nachtmerries kon temmen’ De GVR in herinnering: de Grote Vriendelijke Reus die dromen vangt en nachtmerries vernietigt. Maar ook Riggs’ absurde humor doet aan de grootmeester denken. Zoals in het verhaal over Hildy die tevergeefs spookvrienden zoekt en treurig constateert dat ‘spoken een beetje zoals katten zijn: ze zijn er nooit als je ze nodig hebt, en ze komen zelden als je ze roept.’

De vergelijking met Dahl is vooral bedoeld als compliment. Die doet niets af aan de originaliteit van Riggs’ magische vertelsels, die een even krachtige als ontroerende boodschap overbrengen: accepteer jezelf en accepteer de ander. Vanuit het aan Terentius ontleende motto ‘ik ben een mens en niets menselijks is mij vreemd’.