Cultuur

Interview

Interview

Hoe de octopus over zichzelf denkt

Biologie

Duiker en filosoof Peter Godfrey-Smith bestudeert inktvisachtigen. Hij is geïntrigeerd door hun intelligentie. „Ze zijn het tweede evolutionaire experiment met bewustzijn.”

Een oester kan je eten. Een slak kun je bestrijden. Maar de reuzenzeekat is het enige weekdier dat je kan ontmoeten. Een reuzenzeekat zwemt naar je toe en kijkt je aan. Misschien steekt het dier een van zijn acht armen uit om je aan te raken, voor heel eventjes.

„Ik was verbluft toen ik voor het eerst een zeekat zag”, zegt de Australische filosoof Peter Godfrey-Smith. „Deze dieren zijn nieuwsgierig en geïnteresseerd in ons. Ik denk niet dat ze met ons proberen te communiceren, maar ze tonen genoeg betrokkenheid om te spreken van een ontmoeting.”

We spreken elkaar via Skype. Godfrey-Smith’s laatste boek Other Minds: The Octopus, the Sea and the Deep Origins of Conciousness kwam eind vorig jaar uit. Hierin verweeft hij zijn persoonlijke ervaringen met zeekatten en octopussen met zijn ideeën over de evolutie van het zelfbewustzijn.

Godfrey-Smith is hoogleraar wetenschapsfilosofie aan de University of Sydney. Daar doet hij wat filosofen meestal doen: artikelen en boeken schrijven, lezingen en colleges geven. Maar als het even kan trekt hij een wetsuit aan. Dan duikt hij in een van de vele baaien aan de Australische oostkust, op zoek naar cephalopoden – zeekatten, octopussen en inktvissen.

Peter Godfrey-Smith. Stephanie Mitchell/Harvard University News Office

Godfrey-Smith: „Als je je als filosoof bezighoudt met geest en zelfbewustzijn, moet er een dier zijn dat je goed kent. Waar je over na blijft denken, waar je ideeën aan toetst. Voor mij zijn dat cephalopoden. En het helpt dat ze weinig bestudeerd worden. Dan heb ik als filosoof ook nog wat zinnigs toe te voegen.”

Cephalopoden zetten Godfrey-Smith aan het denken. Zijn het biomechanische machines „voor wie alles van binnen donker is”, of zijn het dieren met een geest en een zelfbewustzijn?

Je gaat ze er wel van verdenken, na het lezen van zijn boek. Octopussen glibberen uit hun emmer, nét als de oppasser hen de rug toe keert. En zeekatten die met de ene helft van hun lichaam naar andere zeekatten seinen, tonen de wereld met hun andere lichaamshelft camouflagekleuren. De dieren lijken zich intens bewust van zichzelf en hun omgeving.

Mijn vermoeden is dat octopussen niet precies weten waar hun lichaam ophoudt

De intelligentie van cephalopoden is zo intrigerend omdat het onverwachte intelligentie is, legt Godfrey-Smith. uit „Alle dieren die we normalerwijs als intelligent beschouwen zijn gewervelden. Dolfijnen, kraaien, mensapen. Ze stammen allemaal van een voorouder met een wervelkolom en een centraal brein.”

Maar cephalopoden zijn weekdieren, verwanten van mossels, oesters en slakken. Geen dieren die de wereld nieuwsgierig gadeslaan, maar zich in hun schelp of huisje terugtrekken bij het eerste teken van gevaar.

Wormachtige voorouder

De laatste voorouder van gewervelden en cephalopoden leefde zo’n 600 miljoen jaar geleden. Het moet een wormachtig diertje zijn geweest met simpele oogjes en een primitief zenuwstelsel. Miljoenen jaren later hebben sommige nakomelingen zich tot intelligente gewervelden ontwikkeld, in een compleet andere tak evolueerden slimme weekdieren. „De intelligentie van cephalopoden is dus onafhankelijk van de onze ontstaan”, zegt Godfrey-Smith. „Cephalopoden zijn het tweede evolutionaire experiment met intelligentie en bewustzijn.”

De belangrijkste consequentie daarvan is dat het cephalopodenbrein compleet anders georganiseerd is dan apen-, vogel- en dolfijnenbreinen. Een octopus heeft evenveel zenuwcellen als een hond, maar die neuronen zijn niet geconcentreerd in één brein, maar uitgesmeerd over het hele lijf. Vooral de acht armen zijn goed bedeeld. Samen hebben ze twee keer meer zenuwcellen dan het centrale octopusbrein. De armen van een octopus hebben een grote mate van zelfstandigheid: ze voelen, proeven en bewegen voor een groot deel uit zichzelf.

Die ongewone hersenverdeling maakt het lastig om voor te stellen hoe een octopus zijn eigen lichaam en zijn plek in de wereld ervaart. „Ons lichaam heeft zichzelf onder toezicht”, zegt Godfrey-Smith. „Wij weten altijd waar onze armen zijn, maar onze armen worden ook niet ineens twee keer zo lang. Om voortdurend de positie, snelheid en omvang van acht flexibele armen bij te houden vereist immense rekenkracht.”

Niet gek dus dat de octopus de controle van zijn armen heeft uitbesteed. Met een interessant gevolg: „Mijn vermoeden is dat octopussen niet precies weten waar hun lichaam ophoudt en de buitenwereld begint. Dat zou betekenen dat octopussen een minder coherent zelfbeeld hebben dan wij”, zegt Godfrey-Smith. „Maar misschien zit ik er helemaal naast.”

Geen centrale werkplaats

Kan er zonder zo’n coherent zelf wel sprake zijn van zelfbewustzijn? „In het boek ben ik daar voorzichtig over”, zegt Godfrey-Smith. „Volgens neurowetenschappers zoals Bernard Baars en Stanislas Dehaene ontstaat zelfbewustzijn in een centrale werkplaats in het brein. In die werkplaats wordt alle zintuiglijke informatie bijeen gebracht en geïntegreerd. Daar zou het beeld van ons zelf en de wereld worden geconstrueerd. Ik denk niet dat octopussen over deze vorm van zelfbewustzijn beschikken, aangezien hun zenuwstelsel niet zo geïntegreerd is als het onze.”

Zeekatten en octopussen voldoen misschien niet aan deze klassieke definitie van zelfbewust, maar daar neemt Godfrey-Smith geen genoegen mee. „Ik denk dat het zinnig is om gradaties aan te brengen.” Godfrey-Smith spreekt in zijn boek van ‘subjectieve ervaring’, waarmee hij bedoelt dat er in een dier een ‘zelf’ aanwezig is dat ervaart wat er binnen en buiten hem gebeurt. Dat het als ‘iets’ voelt om een dier te zijn.

Lang niet alle dieren hebben een subjectieve ervaring. Godfrey-Smith geeft in zijn boek het voorbeeld van een insect dat gewond raakt maar zich normaal blijft gedragen, schijnbaar onbewust van zijn verwonding. Het lijkt er niet op dat er ‘iets’ is in een mier of vlieg dat pijn registreert.

Octopussen en dieren als krabben zijn anders, zegt Godfrey-Smith. „Gewonde krabben schermen hun verwonding af en proberen die te verzorgen. En ook octopussen vertonen zulk pijngerelateerd gedrag. Dat is sterk bewijs dat het als iets voelt om een krab of octopus te zijn. Dat is iets waar ik zeker van ben.”

Intelligent, nieuwsgierig en in zekere zin zelfbewust. Waarom doen zeekatten en octopussen zo weinig met hun mentale capaciteiten, behalve roven en zichzelf verstoppen? „Cephalopoden bewandelen een andere pad dan andere intelligente dieren, die vaak een rijk sociaal leven hebben. Octopussen zijn solitair en ze leven maar kort, maar één of twee jaar. Als ze vier keer zo lang zouden leven ontstaan er veel meer kansen voor intelligent sociaal gedrag.”

Godfrey-Smith heeft zelf gezien hoe de toekomst van de octopus er misschien uitziet. Met collega’s heeft hij Octopolis beschreven, een Australisch rif waar octopussen, heel ongewoon, samenleven. „Ik ben er soms omringd door wel vijftien octopussen. Ze zitten zo dicht op elkaar dat ze op elkaar moeten reageren. Ze lijken hier te kunnen wat ze nergens anders voor elkaar krijgen: elkaar tolereren.”