Hier hebben we het dan allemaal voor doorstaan

Bekerfinale

Vitesse-fan en NRC-columnist blikt vooruit op de bekerfinale tegen AZ. Na 125 jaar eindelijk een prijs? „Dit is de krent in de pap, die we pas na heel lang lepelen tegenkwamen.”
Vuurwerkrook op Het Kasteel voor de halve finale van de beker tussen Sparta en Vitesse, vorige maand. Vitesse won met 2-1. Foto Olaf Kraak/ANP

Net als de echte liefde laat ook clubliefde zich niet sturen. Omdat ik toevallig uit Arnhem kom, ben ik voor Vitesse uit 1892. Er zijn makkelijker muzen.

Als ik aan Vitesse denk, denk ik aan mijn vader.

De overdekte staantribunes van Stadion Nieuw Monnikenhuize, ik was negen, hij ver in de veertig.

Iedereen was op de brommer, wij op de fiets.

Stinkende pisbakken.

Dat gillende wijf bij de deur, bovenin vak CC.

Niets zien, ‘oei’ roepen bij terugspeelballen op Harry Schellekens.

Dat liedje waarmee Arnhem in vier woorden wordt getypeerd: ‘De Rijn/De fles/De hoeren en Vites’.

„Binnenrijm”, zei mijn vader.

Vitesse-PSV, een degradatieduel.

Vooraf een emotionele oproep van Charly Bosveld, na afloop het spreekkoor ‘Luie varkens, werken voor je geld!’.

Met Sinterklaas kreeg ik dat jaar een geel-zwarte das, gebreid door tante Led. Wij wonnen nooit wat. Ook internationaal een unicum onder profclubs: 125 jaar meedoen, maar geen enkele prijs.

Tweede Wereldoorlog

Het ‘net niet’ zat ons in de genen. De stad Arnhem lag tijdens de Tweede Wereldoorlog ook net niet op de goede plek. Helemaal stuk gebombardeerd vanwege een brug, de bevolking hield er een zwart gevoel voor humor aan over. Net zo zwart als die prachtige verticale banen op ons ‘geel-swerte’ (Arnhems voor geel-zwarte) shirt.

Mijn eerste Vitesse-held was aanvaller Ron van Oosterom. Op een gegeven moment had ik zijn handtekening twaalf keer dubbel, maar dat kwam ook doordat hij bij het bouwbedrijf bij ons om de hoek werkte. Hij verdween uiteindelijk uit mijn herinnering. Bij het bouwbedrijf zeiden ze dat hij van de steiger was gevallen. Jaren later ontdekte ik dat hij daarna nog gewoon twee jaar voor Heracles had gevoetbald.

Vervolgens werd Jurrie Koolhof mijn held, logisch. Als je als Vitesse-speler topscorer wordt in de eerste divisie ben je gewoon de fucking man, einde discussie.

En toen kwam Theo Bos, de grootste held van allemaal.

Theo Bos, dat voelde je, was een van ons. Theo reed niet in een dure auto, droeg een spijkerbroek van een onbekend merk, maakte praatjes met supporters en liet in interviews weten dat bami zijn lievelingseten was, dat hij in zijn vrije tijd kaartte (jokeren) of ging bowlen in het kegelcentrum aan de Schelmseweg en dat hij behalve voetballer ook supporter van Vitesse was. Een zondagmiddag zonder ‘Theo pak ’m terug’ konden we ons niet voorstellen.

Jaren later, ik woonde inmiddels in Amsterdam, probeerde ik het de mensen daar wel eens uit te leggen waarom Theo Bos in Arnhem zo’n populaire speler was. Dat we door zijn naam te roepen eigenlijk een beetje onszelf stonden aan te moedigen en dat je dat gevoel toch moeilijk kon hebben als je de namen van Johan Cruijff, Marco van Basten of Dennis Bergkamp stond te scanderen.

Maar boven alles had Theo een typisch Arnhems gevoel voor humor.

De laatste paar maanden van zijn leven – hij overleed vier jaar geleden aan alvleesklierkanker – liep ik op zijn verzoek met hem mee. Hij lachte nooit om grappen. Wat hij leuk vond was dat ik in ziekenhuis Rijnstate keihard mijn hoofd stootte.

Vitesse was ‘kwertje werme’.

Volwassen mannen op de overdekte staantribunes verwarmden tijdens wedstrijden hun muntgeld met een aansteker, waarna ze de gloeiende munten naar de kinderen bij het hek gooiden. Als die het dan opraapten, brandden ze hun vingers.

Humor om te lachen.

Nadat mijn vader na een doelpunt bij de wedstrijd Vitesse-Cambuur van de tribune viel, ging ik voortaan met mijn broer en Tom en Gijs. Twee keer twee broers. Elf jaar geleden kon mijn broer het geestelijk niet meer opbrengen. Hij stond ons op te wachten voor de McDonald’s bij Gelredome en zei maar eerlijk dat hij het niet meer aankon, al die kutwedstrijden.

„Maar dan is alles voor niks geweest”, zei Tom, die schijnbaar op het standpunt stond dat je pas mocht stoppen als we iets gewonnen hadden. We beleefden hoogtepunten (de promotie in 1989, de eerste keer Europees voetbal, met 0-4 winnen bij NEC in de oude Goffert, de uitschakeling van Werder Bremen in de UEFA Cup) en dieptepunten (de val van Karel Aalbers, bijna degradatie en de overname van de club) met elkaar.

Maar we wonnen NIETS.

Eén keer waren we er dichtbij.

Mazda 323

In 1990 speelde Vitesse ook de bekerfinale. De uittocht vanuit Arnhem naar de Kuip zorgde ervoor dat de KNVB-bekerfinale zich voor het eerst sinds tijden niet afspeelde tegen een armzalig decor. Meer dan twintigduizend supporters meenemen was toen beslist niet normaal. Wij gingen met de Mazda 323 van Tom, shawltjes uit de ramen. Toeteren naar iedereen die ook uit Arnhem kwam en dat dan ontroerend vinden. In de Kuip zongen we de kelen schor met het armzalige clubliedje wat we toen hadden en waarvan mijn hart een sprongetje maakt als ik het nu hoor.

Eerste regels:

Kom ik zondags uit mijn bed

Heb ik kriebels in mijn maag

Ik voel me dan wat zenuwachtig

Voor wat het worden zal vandaag

Ik had mijn toenmalige vriendin ook meegenomen die middag, ik dacht indruk te maken, maar een dag later maakte ze het uit. Allemaal de schuld van John van den Brom, tot dan de beste van allemaal, die vlak voor tijd een penalty miste.

Toen ik hem daar een paar jaar geleden over sprak zei hij: „Ik word daar echt door achtervolgd. Altijd als de bekerfinale wordt uitgezonden, komen die beelden terug. Zelfs in België werd die gemiste penalty laatst uitgezonden.”

Hij bleef na zijn misser minutenlang roerloos op het veld liggen.

„We probeerden hem nog wel op te rapen, maar dat lukte maar half”, zei Theo Bos daarover. Hij herinnerde zich die finale als ‘een hoogte- en een dieptepunt’. „Heel Arnhem zat in de Kuip. Er waren ook een paar volle bussen uit De Geitenkamp. De hele buurt ging. Iedereen was door het dolle. Ze schreeuwden bij het vertrek alles bij elkaar. Een dag later bleef ik liever binnen. We namen John niets kwalijk.”

Maar wij wel.

John vertrok naar Ajax en keerde later terug. Eerst als speler, later als trainer, maar zijn naam is nooit meer zo hard gescandeerd als voor die penalty.

Zondag is hij de trainer van tegenstander AZ, een geruststellend idee.

Het zijn rare tijden in Arnhem: er gebeuren daar dingen die nooit eerder gebeurd zijn. De hele stad is geel-zwart versierd, Vitesse traint achter gesloten deuren, supporters hebben alvast een feestlied ingezongen en er komt ‘een uitzwaaimoment’ op vrijdagavond bij Gelredome. Trainer Henk Fraser die in een interview zegt dat hij hoopt dat er bedrijven zijn die de spelers bij winst een extraatje geven.

‘Een extraatje’, doe effe normaal!

Club met een prijsje

Het gaat zondag helemaal niet om de spelers. Het gaat om Tom, Gijs en ik. Om mijn broer, die afhaakte en om mijn vader en Theo Bos, die op dezelfde dag hoorden dat ze ongeneeslijk ziek waren.

Hier hebben we het dan allemaal voor doorstaan. Dit is de krent in de pap, die we pas na heel lang lepelen tegen kwamen.

Dit wordt onze zondag!

Ik zal genieten van de meer dan twintigduizend ‘geel-swerten’, een gevoel van verbondenheid met ze voelen omdat ze hetzelfde hebben meegemaakt als ik. We zullen het van ons af schreeuwen, al het onrecht, alle pech.

Na zondag zal alles anders zijn. Dan zijn wij ook een club met een prijsje, net als Ajax, Feyenoord, PEC Zwolle en zelfs een clubje als VVV uit Venlo dat in 1959 al de KNVB-beker won.

Vitesse zal nooit meer Vitesse zijn.

Wij zijn winnaars, we zullen er allemaal aan moeten wennen.