Recensie

Eerste gedrukte bijbel was de iPhone van de 15de eeuw

Een boek lezen over boeken is ongewoon, maar The Book van Keith Houston is extra bijzonder. Niet alleen door de typografische grapjes, maar vooral doordat de lezer maar liefst vier keer door de boekgeschiedenis schiet. Eerst hoor je alles over de ‘pagina’ (papyrus, perkament, papier), dan over de ‘tekst’ (schrift en drukletters) vervolgens de ‘illustraties’ en tot slot: de ‘vorm’: van kaft tot kaft. Telkens begint het verhaal bij de Egyptenaren en dan weer helemaal vooruit tot aan moderne industriële hoogstandjes.

De eerste sprong terug in de tijd, van modern zuurvrij papier en industriële Frourdrinier-papiermachines inééns terug naar de uitvinding van het schrift als boekhoudmiddel in primitieve landbouwtijden, is nog een schok. Maar het blijkt een geweldig idee. Niet alleen geeft het dit prachtig uitgegeven boek een lekker tempo, maar de complexe geschiedenis kan zo ook glashelder worden uiteengerafeld.

Creatie van de Romeinse tijd

Je blijft zo ook niet te lang hangen in het oude Egypte. Want daar begint wel alles, met hiëroglyfen en papyrus, maar ons boek is helemaal een creatie van de Romeinse tijd – al zijn de oudste sporen wel weer bewaard in die droge woestijngrond bij de Nijl. En de druktechnieken komt uit China en Mainz.

De oudste verwijzing naar een boek is van de Latijnse dichter Martialis, die rond 85 na Christus een uitgave van zijn epigrammen aanbeveelt met de woorden: „Koop die uitgave met kleine perkamenten bladzijden, die je in je hand kan houden. Geef je papyrusrollen maar aan de grote auteurs!” De oudste fysieke resten van een boek zijn jonger: wat genummerde pagina’s uit Oxyrhynchus (inderdaad: Egypte), uit de tweede eeuw na Christus. Vreemd genoeg vertelt Houston niet dat juist op die papyrusvelletjes de oudst bekende tekst van een cruciale vroeg christelijke tekst staat, het beroemde Evangelie van Thomas. Maar goed, daar gaat het hier ook niet om. De oudste teruggevonden complete boeken zijn uit de vierde eeuw(met ook al weer beroemde oude christelijke teksten, waaronder alwéér dat Thomasevangelie, uit Nag Hammadi). Simpel gebonden boekjes in een handig ‘pocketformaat’ dat we nu nog meteen herkennen.

Mooi meegenomen is dat per thema de nadruk telkens op een andere periode ligt. Met papier ben je na de Middeleeuwen wel klaar. Illustraties hebben meer pieken: de creativiteit van de vroeg-middeleeuwse Ieren die het genre min of meer bedachten, dan de houtsnedes en etstechnieken uit de Renaissance en tot slot het geweldige verhaal over de uitvinding van de lithografie. Die techniek danken we aan de eigenwijze werkeloze Praagse acteur Alois Senefelder, die rond 1800 een goedkope manier zocht om zijn eigen toneelstukken te drukken. Door latere verbeteringen van zijn techniek wordt tegenwoordig zelfs alle drukwerk gedrukt als ‘illustratie’. Losse letters zijn passé. In de woorden van Houston: „Als we een boek lezen kijken we naar een plaatje” – druktechnisch gezien dan.

Kwaliteitsfanatisme

Maar die losse letters blijven óók het mooiste verhaal: de klassieke ‘geboorte van de drukpers’ in de vijftiende eeuw waardoor de toegang tot informatie explodeerde. Iedere moderne startup kan een voorbeeld nemen aan het kwaliteitsfanatisme van de grote drukpersuitvinder Johannes Gutenberg, die na wat aflaat-drukwerk en een Latijnse grammatica een indrukwekkend product lanceerde: een schitterend uitgevoerde complete bijbel, met 1.282 bladzijden en ruim 3 miljoen letters, de iPhone van de vijftiende eeuw: een instant succes en onmiddellijk onvermijdelijk. Wel jammer dat Gutenberg er failliet aan ging.

Gutenbergs disruptieve druktechniek bleef driehonderd jaar lang onveranderd, tot spectaculaire vernieuwingen in de negentiende eeuw. De rotatiepers van Friedrich Koenig werd in 1814 door de Times of London ontwikkeld, in het diepste geheim: om geen arbeidsonrust uit te lokken. Op slag kon de krant ineens tien keer zo snel gedrukt worden. Houston laat mooi zien hoe in de negentiende eeuw de vernieuwingen in het proces elkaar uitlokten: als er sneller gedrukt wordt, moeten ook de letterzetters vlugger worden en het papier goedkoper.

Aan de basis van de negentiende vernieuwingen in de zetterij ligt het simpele maar vrij geniale idee om de individuele letter niet telkens te hergebruiken maar om hem gewoon iedere keer opnieuw te gieten en daarna weer te smelten. Het is de basis van Otto Mergenthalers revolutionaire Lynotype-zetmachine, ca. 1900, die met geperste lucht en een typemachine werd bediend - onmiskenbare steam punk volgens Houston. Bij de perfectionering ervan, de Monotype-machine (ca. 1914), mede-ontwikkeld door een wiskundige, werden zelfs voor het eerst ponskaarten gebruikt.

Deze geschiedenis van het boek is dus geen eerbiedwaardig betoog over een ‘intellectueel product’, maar een knap gecomponeerd verhaal over slimme materiële vernieuwingen in een periode van duizenden jaren. Wie dit boek uit heeft, kijkt met een nieuwe blik naar de verlijming van boekbladzijden in een kaft. En ziet op zijn kindle reader ineens een oer-oude bladspiegel terug: van de papyrusrol.