Recensie

Een keizer Nero van onze tijd

De Britse schrijver schreef een frontale aanval op Donald Trump, die sterk doet denken aan de Nixon-satire van Philip Roth uit 1971. In beide romans regeert de leugen op volle kracht.

President Donald Trump begroet supporters in West Palm Beach, 13 april 2017 Foto Jim Watson/AFP

‘Om in de politiek succesvol te zijn, moet je grondig zijn.’ Zo wordt de jonge prins Fracassus geadviseerd in Howard Jacobsons Trump-satire Pussy. ‘Een halfslachtige leugenaar zullen mensen niet vergeven. „Ah!” zullen ze zeggen. „Hoorde je dat? Merkte je dat? Hij heeft een leugen verteld. Hij is niet te vertrouwen.” Maar als ze weten dat je een doorgewinterde leugenaar bent, kunnen ze je vertrouwen. […] Uiteindelijk krijgen ze het gevoel dat de leugen die je vertelt hun leugens zijn. Het is net een intiem gesprek tussen minnaars.’

Deze passage raakt zowel aan een kracht en een zwakte van Jacobsons frontale aanval op Donald J. Trump, die model stond voor Fracassus. Hoe scherpzinnig de Britse schrijver, veelvuldig de ‘Engelse Philip Roth’ genoemd, ook uit de hoek komt, zijn hoofddoel, het demonteren van Trump door hem dodelijk te ridiculiseren, blijkt onhaalbaar. Want hoe maak je belachelijk wie van zichzelf zo openlijk belachelijk is, en van die belachelijkheid een unique selling point heeft weten te maken? ‘De zone die Fracassus bevolkte, leek er een te zijn waar woorden noch bedoelingen greep hadden,’ en dus kan de prins alles zeggen en doen, zoals ook Trump uiteindelijk immuun bleek voor de gifpijlen van een leger comedians en journalisten. Die vaak gelijk hadden, maar het niet kregen. Omdat. Immers. Trump. Punt.

Jacobson (1942) schreef Pussy in een vlaag van woede, zoals Philip Roth ooit in een vergelijkbare furie zijn Richard Nixon-satire Our Gang (1971) eruit ramde, in Nederland verschenen onder de titel Tricky Dixon en zijn vrienden. En daar houdt de verwantschap tussen beide boeken niet op. Roths verontwaardiging betrof ‘de taal die politici hanteren om leugens waar te doen schijnen en moord fatsoenlijk en waarmee ze hun voze winderigheid een air van betrouwbaarheid geven.’ Bij Jacobson staat de rol van taal evengoed centraal.

Vastgoedondernemers

In Pussy volgen we Fracassus (van fracas: opschudding, rumoer, opstootje) van de wieg tot het begin van zijn politieke carrière, wanneer hij afrekent met een broekdragende feministe. Fracassus is prins van de ommuurde republiek Urbs-Ludus, een samenleving die ‘veel waarde hechtte aan fantastische coiffure’, en waar de aristocratie bestaat uit vastgoedondernemers. Zijn vader is Groothertog, want specialist in casino’s, luxehotels en glanzende woontorens, ziggoerats, oftwel tempeltorens, genoemd.

De prins is het product van eigenwaan en liefdeloosheid, intens eenzaam, al kan volgens zijn vader een ijdel man nooit eenzaam zijn, ‘en dat is maar goed ook, want een opschepper heeft nooit een vriend’. Fracassus’ grote voorbeelden zijn keizer Nero en Spravtsjik, een buitenlandse tv-persoonlijkheid en Minister van Alles die graag in blote bast paardrijdt of teenworstelt met de prins. De prins houdt van het wrede oordeel met de duim, het Duimgericht, zoals Nero dat graag toepaste – een knipoog naar onze ‘like’-cultuur. Maar de prins is vooral leeg. ‘Fracassus, die weliswaar genoot van commotie en zich graag mocht inbeelden dat hij er de oorzaak van was, had een stil hoofd. Het woord ‘Ik’ kaatste erin heen en weer als een biljartbal in een lege basiliek.’

Die leegte heeft alles met taal te maken. Of beter: met taalverval. Een prominente rol in het boek is weggelegd voor professor Probius, die wegens ‘cognitieve neerbuigendheid’ – lees: specialistische kennis – is weggezuiverd van de universiteit. Probius vakgebied is de fono-ethiek. ‘De woorden die we gebruiken en de manier waarop we ze uiten, betoogde hij, hebben invloed op de gedachten en de handelingen die we uitvoeren. “Slechte grammatica leidt tot slechte mensen” doet nauwelijks recht aan de subtiliteit van zijn denken, maar daar kwam het op neer.’

Probius wordt aangesteld als adviseur omdat de prins verre van talig is. ‘De wereld was van hem geweest, om te eten, te verscheuren, te schoppen. Hij had hem niet hoeven benoemen. De wereld was hij.’ Fracassus beperkt zich tot vulgariteiten: fuck, nikker, kut. Het syndroom van Gilles de la Tourette, aldus een arts, zonder het syndroom van Gilles de la Tourette.

Maar ook hier wreekt zich het probleem dat op de primitieve taal van Trump bijna geen satire mogelijk is, afgezien van de gemakkelijkste vorm: de echo. Zelfs – of juist? – een schrijver als Jacobson, die excelleerde met komisch-literaire romans als The Finkler Question (2010) en J (2014), lijkt onthand.

Bij herlezing voelde Roths Our Gang, decennia na de deconfiture van Nixon, daardoor frisser aan. Roth kroop dichter op de huid van zijn doelwit – nee, ín de huid – door vooral Tricky Dixon zelf aan het woord te laten, in een feilloze persiflage op Nixons vernuftig glibberige taal.

Omdat met halfgare tweets en beledigingen een boek niet te vullen valt, hangt Jacobson juist als een alwetende verteller schmierend boven de tekst. En waar Roth strak één-op-één bleef, zwalkt Jacobson. Heldere verwijzingen – Fracassus krijgt bijvoorbeeld steun van een nativistische website genaamd Brightstar – zijn ingebed in een nodeloos complexe situatie die eerder verwart dan verheldert.

Sterker is Jacobson in het fileren van de tijdgeest. ‘Degene die het minst geschikt was voor de baan, kon makkelijk degene blijken te zijn die het meest geschikt was voor de baan,’ schrijft hij. We zijn maar een haar verwijderd ‘van de overtuiging dat iedereen die dom is intelligenter is dan iedereen die slim is.’ Trumps/Fracassus’ publiek blijkt interessanter dan de figuur zelf. ‘De behoefte aan jou, wie je ook bent, was er al lang voor jij zelf er was,’ zegt een opdringerige wildeman tegen de prins. ‘Je bent het object van een hysterische gewoonte, meer niet.’ En even later: ‘Hij is een spiegel van hun geheime zelf.’ Waarmee ik weer terugkom bij Nixon, die dondersgoed begreep dat hij zo’n spiegel was. En dat hij het altijd zou moeten afleggen tegen Kennedy, die mensen niet hun eigen weerkaatsing toonde, maar een mythe. Trump lijkt van zulke vormen van zelfinzicht verstoken.

Jacobsons poging tot een oplawaai is geen voltreffer, maar er valt nog best wat te genieten en te lachen. De vraag is of dat voldoende is om Pussy te rechtvaardigen. Het politieke domein is een taaldomein, en dat maakt schrijvers bij uitstek geschikt weerwerk te bieden, maar in Trumps geval lijkt satire niet het middel. Het schaamteloos belachelijke zal met diepe ernst ontmanteld moeten worden. Ik heb alle sympathie voor Jacobsons bedoelingen, maar deze tijd vraagt, vrees ik, meer om 1984 dan Life of Brian.