Commentaar

De zorgpremies mogen wel wat minder wispelturig

De Nederlandse burger leefde de afgelopen jaren in een valse werkelijkheid van goedkope zorgpremies. Dat blijkt uit een inventarisatie van deze krant onder grote zorgverzekeraars. De grootste vier, met samen 90 procent marktaandeel, leden vorig jaar een gezamenlijk een verlies van 334 miljoen euro. Dat is niet langer houdbaar en dus zullen de premies behoorlijk moeten stijgen.

De kwestie lijkt voor een groot deel voort te komen uit de maatschappelijke rol die de verzekeraars voelen, dan wel opgedrongen krijgen. Na kritiek op hun forse reserves kwamen zij met een premiedaling van 9,5 procent in 2014. En hoewel de premies daarna weer zijn gestegen, stegen de kosten van de zorg eveneens. En dat betekent dat er in wezen nog steeds wordt ‘gesubsidieerd’: de premies maken de daadwerkelijke kosten niet goed. Zo kan het gebeuren dat de maandpremies dit jaar al met 8 procent zijn gestegen. En mag worden verwacht dat dit volgend jaar eveneens gebeurt.

Op het eerste gezicht is het collectieve gedrag van de grote zorgverzekeraars paradoxaal. Het huidige zorgsysteem was juist gericht op concurrentie, om zo de beste en meest effectieve verhouding tussen kosten en kwaliteit van de zorg te bewerkstelligen. Kuddegedrag in de premiestelling steekt daar vreemd bij af, zij het dat Menzis, dat nu de zwakste positie lijkt te hebben, de premies ook het meeste verhoogt.

De zorgverzekeraars hebben te maken met invloeden die hen gemeenschappelijk raken. Het toezicht op de branche is opgevoerd, ook vanuit de Europese Unie, en zij moeten flinke buffers aanhouden. De gezondheidszorg zelf heeft te maken met een voortdurende opwaartse druk op de kosten.

Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de productiviteitsstijging in deze vorm van dienstverlening, die in de regel achterblijft bij die in veel andere branches. Daardoor stijgen de kosten structureel ten opzichte van veel activiteiten in de rest van de economie. Zorg zal zo, onherroepelijk, een groeiend deel van het nationaal inkomen opeisen. Daar komen de vergrijzing en de innovaties in de zorg zelf nog bij.

De gezondheidszorg, en daarmee zeker ook de verzekeraars, liggen bovendien voortdurend onder een politiek en maatschappelijk vergrootglas. Dit was, na de kritiek op de hoge reserves, een van de belangrijkste redenen voor het kennelijk collectieve besluit om de premies te verlagen tot onder de kostprijs.

En er is, als laatste, ook niet echt sprake van een markt. Publieke middelen en particuliere premies spelen samen een rol. Er is bijvoorbeeld bemoeienis met de hoogte van het eigen risico. En winst uitkeren mag niet – dat heeft de Tweede kamer al beslist en de Eerste Kamer lijkt tot dezelfde conclusie te komen.

Als er niet echt sprake is van een vrije markt, dan kan vrij ondernemen ook niet. Dat hybride karakter is de prijs die wordt betaald voor de manier waarop het zorgstelsel nu is ingericht. Daar staat tegenover dat ons land internationaal vergeleken een goede en betaalbare gezondheidszorg kent.

Het is ongezond dat de sector nu als geheel verlies lijdt. En het is onfortuinlijk dat de premies zo wispelturig zijn en nu fors moeten opgeschroefd. Voorspelbaarheid bij de premiestelling is in dit stelsel nooit te bereiken, maar het had wat minder wild gemogen. De uitgaven voor de zorgpremie zijn voor veel gezinnen en bedrijven een grote kostenpost, waar als het even kan mee moet kunnen worden gepland.