Cultuur

Interview

Interview

Béatrice de Géa

De wereld is meer verstrengeld dan we denken

Robbert Dijkgraaf

Theoretisch natuurkundige Robbert Dijkgraaf houdt van speelsheid en kunst. Maar hij kan ook verdwijnen in zijn werk. „Mijn ideeën worden pas echt als ik erover vertel.”

Robbert Dijkgraaf treedt graag op. „Vroeger al was ik een kleine entertainer”, zegt hij in zijn werkkamer. „Ik was rond mijn achtste heel druk met goochelen. Mijn moeder had een heel mooi rokkostuumpje voor me gemaakt.”

Dijkgraaf is theoretisch natuurkundige, en de bekendste Nederlandse wetenschapper van dit moment. Hij is sinds vijf jaar directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton, een van de meest vooraanstaande wetenschappelijke instituten ter wereld. Albert Einstein werkte er, en Robert Oppenheimer, de vader van de atoombom.

Maar Dijkgraaf is niet alleen bezig de geheimen van het heelal te ontrafelen. Hij zet zich ook in om de wetenschap bij een breder publiek te brengen. Via een website met proefjes, speciaal voor kinderen. Met boeken. Maar vooral via tv. Het bekendst is hij van zijn regelmatige optredens bij De Wereld Draait Door. „Het lijkt misschien of ik daar vaak zit, maar ik plan het gewoon slim”, zegt hij. Dijkgraaf is nog zo’n zes keer per jaar, twee dagen tot een week, in Nederland. Vooral zijn tv-colleges zijn veel bekeken. Over bijvoorbeeld Einstein, de oerknal, en elementaire deeltjes. Ze trokken steeds meer dan een miljoen kijkers. In de aflevering over elementaire deeltjes mocht hij weer goochelen. „Ik had drie acts. Ik heb er een week op zitten oefenen.”

Vanaf volgende week is hij te zien in een nieuwe tiendelige serie van de VPRO: The mind of the universe. Een goede aanleiding om hem op te zoeken.

Het is donderdag 20 april, een heerlijke lentedag in Princeton. We zitten aan een rommelige tafel met tijdschriften, papieren en vol gekrabbelde velletjes. Buiten straalt het majestueuze grasveld voor het hoofdgebouw heldergroen in de zon. Binnen springt het gesprek soms van de hak op de tak. Met sonore stem vertelt Dijkgraaf over die nieuwe tv-serie. Maar ook over wat hem drijft. Zijn oneindige nieuwsgierigheid om het universum te doorgronden. Als jongetje had hij dat al. Tegelijk maakt hij zich zorgen over de technologische versnelling die hij ziet aankomen. En ook gaat het over dochter Charlotte, waarover zijn vrouw vorig jaar een aangrijpend boek schreef. Maar eerst de nieuwe VPRO-serie.

Welk verhaal wilt u daarmee vertellen?

„We volgen allerlei wetenschappers die aan het front van hun vakgebied werken. Tien afleveringen lang, elke keer drie van hen. Ik praat de boel aan elkaar. We willen de grote diversiteit laten zien aan mensen, ideeën, achtergronden, karakters. Maar allemaal hebben ze die innerlijke drive gemeen. Ze willen de wereld begrijpen, of hem beter maken.

„Het is ook het besef dat wij, als mensen, het universum kunnen bestuderen, en de wetten die gelden. Ze zijn al 13,8 miljard jaar in werking, maar voor zover we weten niet eerder benoemd. Wij mensen doen dat. Via talenten, frustraties, en alles wat erbij komt kijken. De vraag die als een rode draad door de serie loopt, is: zijn wij dan het denkende deel van het universum?

Lees ook de column van Robbert Dijkgraaf: De schim van de vooruitgang

„En dan is er nóg iets. Ik voel dat we op een kantelpunt in de wetenschap staan. Machines kunnen door kunstmatige intelligentie en robotica zelf leren, we kunnen DNA schrijven, en materialen atoom voor atoom opbouwen. En dat zal allemaal samenvloeien. Ik voel dat we door een muizengaatje gaan en in een enorm veel grotere kamer terecht komen met ontzettend veel meer technologische mogelijkheden, die we nu moeilijk kunnen voorzien.”

Wat vindt u daarvan?

„Spannend. Maar ik maak me er ook zorgen over. Verliezen we de controle? En wat krijgt de gemiddelde persoon er nog van mee? Veel gebeurt buiten ons zicht. We hebben het bijna niet meer door hoe we door technologie en vooruitgang worden gecontroleerd. Opeens weet je telefoon meer dan jij. Het is belangrijker dan ooit dat we de publieke discussie voeren. Niet alleen om de samenleving te informeren. Ook andersom: de wetenschap moet weten wat de samenleving wil.”

Er is ook weerstand tegen die vooruitgangsgedachte en de race om almaar meer kennis.

„Daarom is die publieke discussie zo belangrijk. We zijn eerder in zo’n fase geweest. Dit is de kamer waar Robert Oppenheimer meer dan twintig jaar heeft gewerkt. Om de hoek stond de safe met bouwplannen van de atoombom, continu bewaakt door een marinier. En twee kamers verderop zat Albert Einstein, de vader van de vredesbeweging. Dus dat het goed of slecht kan gaan, daar ben ik me heel erg van bewust.”

In de Verenigde Staten geloven veel mensen niet in de evolutietheorie, of in klimaatverandering.

„Dat is een groot probleem. Nu helemaal, omdat president Trump de wetenschap lijkt te verwaarlozen. Er is nog steeds niemand benoemd die daarover gaat. Het is voor mij een paradox. Wetenschap en technologie worden steeds belangrijker, maar op de overheidsbegroting krimpt de ruimte ervoor. Zeker het fundamentele onderzoek heeft het moeilijk. Het wordt weggeduwd door sociale voorzieningen, gezondheidszorg, defensie. Intussen wordt aan feiten steeds meer getwijfeld.”

Hoe is uw belangstelling voor de wetenschap ontstaan?

„Op de basisschool deed ik met mijn vriendje Peter Schlebaum allemaal gekke dingen. We maakten poppentheater, we deden hoorspelen, we maakten van lensjes een microscoop, we waren in de weer met transformatoren. We lieten een zonnestraal door de gordijnen komen, en splitsten het licht in een prisma. Het is heel bijzonder om je hoofd in een spectrum te houden. Ik ging er ook meteen tekeningen van maken, ik ging ermee spelen. Het was die combinatie van de verwondering, het spel, het leren begrijpen, het erover vertellen. Die speelsheid is voor mij heel belangrijk.”

Het was die combinatie van de verwondering, het spel, het leren begrijpen, het erover vertellen

Speelde school nog een rol in die verwondering?

„School was voor mij wachten tot het afgelopen was. Je moest tafels leren en -dt. Terwijl, verdorie, het hele universum op jou zat te wachten.”

Dijkgraaf begint hard te lachen. „Ik dacht: wat zit je nou met je -au of -ou…”

Hij trommelt met zijn vingers op tafel.

„De middelbare school was een bruuske overgang. Het was heel serieus. Mijn vrije ruimte was instantaan verdwenen. De eerste jaren was ik gedesoriënteerd. Maar toen ik een jaar of zestien was ontdekte ik de wetenschap als literatuur. Ik ging naar de bibliotheek van de Erasmus Universiteit, ik kocht ook boeken. Over de relativiteitstheorie van Einstein, over quantummechanica. En dan ging ik naar school en probeerde dat te vertellen, en dan kreeg je te horen: jongens, we zitten met de valversnelling. En dan dacht ik weer: neeee!”

Een geluk dat u die periode door bent gekomen.

„Er zat een heleboel remming op. Daarom was het voor mij zo’n enorme opluchting toen ik met mijn studie natuurkunde in Utrecht stopte en een paar jaar naar de Rietveld Academie ging. Succes was niet langer het halen van tienen. Er waren geen toetsen. De enige toets was: voel je je aan het einde van de dag opgeladen of leeggelopen.

„Er is die enorme onbekende, lege ruimte. Je kunt overal naartoe, als je het aandurft. Maar dat is het, slechts weinig individuen durven het, durven de echte grote problemen aan te pakken. Je moet ook in opperste concentratie kunnen werken. Vaak weerhoudt de ruis van het dagelijkse leven je ervan. ”

Die ruimte bestaat voor u uit wiskundige formules?

„Daarmee proberen we natuurkundige ideeën over ruimte, tijd, zwarte gaten, de oerknal te vangen. Je hebt formules in allerlei soorten en maten. Ik kan een heel ingewikkelde vergelijking opschrijven, die onmogelijk is om op te lossen. Maar daar gaat het niet om. De formules die wij zoeken hebben een diepere lading, ze horen ergens bij. Je moet ze echt ontdekken. Het is alsof ze ingegraven zijn. Je bent door de woestijn aan het lopen, je vindt een stukje steen, en dat is niet zomaar een steen, het is, als je geluk hebt, het begin van een piramide.”

Dat was er weer een, een metafoor. Dijkgraaf weet het. Hij gebruikt ze aan de lopende band. „Ik heb een hyperactieve neiging om metaforen te gebruiken.”

Alsof het een aandoening is.

Bulderende lach. „Metaforus nervosa, of zoiets.”

Heeft het ermee te maken dat u synesthetisch bent?

„Ik weet dat mensen die hun zintuigen verwisselen, of verknopen, de neiging hebben om in metaforen te praten. In mijn hoofd is alles verknoopt. Het moet er allemaal in. Tonen, letters, kleuren, formules. Het is een grabbelton.”

Vertelt u daarom ook zo graag? Omdat het er allemaal weer uit moet?

„Ik vond het als kind al leuk om spreekbeurten te houden. Maar het vertellen heeft voor mij ook een functie. Mijn ideeën, de formules in mijn hoofd, worden pas echt als ik erover vertel. Ik wantrouw mezelf eigenlijk. Door erover te vertellen dwing ik me op een correcte manier te beschrijven en te structureren. Alsof je het negatief van een foto in je handen hebt die je vervolgens moet ontwikkelen.”

U wantrouwt uzelf?

„Het is makkelijk om jezelf voor de gek te houden. Je denkt, oh, ik snap dit. Maar als je het dan gaat uitleggen voel je dat het rammelt.”

Opeens wijst Dijkgraaf naar buiten. „Hé, daar loopt Ed, mijn held.” Het is Edward Witten, ook een theoretisch natuurkundige. Dijkgraaf heeft veel met hem samengewerkt. „Ed is heel anders dan ik. Hij heeft het allemaal kris-tal-hel-der in zijn hoofd. Ik ben veel chaotischer. Ik moet dingen rechttrekken in een gesprek. Ook omdat ik het leuk vind om van de hak op de tak te springen.”

U had het net over de diepe concentratie die nodig is in uw werk. Dat lukt u kennelijk?

„Van theoretisch natuurkundigen wordt wel eens gezegd dat ze lui zijn. Het komt erop neer dat je zit te wachten op het grote idee. Als het zich dan aandient, moet je wel fit zijn. De grote sprongen gaan altijd in onverwachte richting. Daar moet je je geest voor leegmaken.

„In mijn leven wisselen de fasen zich af. De ene keer ga ik de diepte in, en wordt mijn wereld heel klein. De andere keer spreid ik me meer uit.”

Daarmee komt het gesprek op zijn dochter Charlotte. Vlak na haar geboorte, in 2000, werd bij haar een uiterst zeldzame en gevaarlijke vorm van leukemie ontdekt. De echtgenote van Dijkgraaf, Pia de Jong, heeft er een aangrijpend boek over geschreven, Charlotte, dat vorig jaar is verschenen. „Het was voor ons de meest intense periode die we hebben meegemaakt. Het heeft ons veel dichter bij elkaar gebracht. Behalve Pia, onze twee zoons, Charlotte en ik, was er bijna niks. Ik had in de verte nog een beetje natuurkunde. We werden geconfronteerd met een dochter die doodging. Maar gek genoeg putte ik juist uit Charlotte heel veel kracht. Ik keek naar haar en had zoiets van: dat gaat goed komen.

Béatrice de Géa

Er was zo weinig bekend over haar ziekte. Wetenschap gaat over de onzekerheid waar je mee om moet gaan. Dit was de meest extreme vorm. N=1. Met andere woorden, je kon er niks van zeggen. Dat was eigenlijk ook weer een opluchting, want alles kon.

„Ik werkte toen aan microscopische zwarte gaten. Normaal is de zwaartekracht er zo sterk, dat niks eruit kan ontsnappen. Zelfs licht niet. Maar bij deze quantumzwartegaten is het anders. Stephen Hawking heeft dat laten zien. In de film over hem zie je dat hij een trui over zijn hoofd probeert te trekken, en opeens ziet hij straling. Hij realiseert zich dat dit in zo’n quantumzwartgat kan gebeuren, er kan straling uit ontsnappen. Achteraf is dat de perfecte metafoor gebleken voor wat we toen hebben doorgemaakt. Charlotte werd na een jaar beter. Het voelt alsof we deeltjes zijn die aan een zwart gat zijn ontsnapt.”

Heeft het iets fundamenteels bij u veranderd?

„Je voelt je altijd fragiel. Ik leef ook sterker in het hier en nu. Pia ook. Ik merk dat ik ervan profiteer in mijn werk. Ik plan heel veel dingen achter elkaar, ik werk snel en effectief. Als ik met iets bezig ben, is alleen dát er. Ik maak me niet druk over het volgende dat komt.”

Hoe bevalt uw werk? Hoe bevalt Princeton?

„Het runnen van het instituut heeft meer tijd gevraagd dan ik dacht. Dit is een ouderwets instituut, het wordt een beetje als een familiebedrijf geleid. Er is geen detail zo klein of het komt op mijn bord. Je kunt je niet voorstellen waarover ik me soms druk moet maken: van bedwantsen in een appartement en de riolering, tot het rekruteren van topwetenschappers en het bouwen van nieuwe gebouwen. We hebben net een fundraisingcampagne gehad van 200 miljoen dollar. Het zorgt er wel voor dat je in nauw contact staat met alles en iedereen op het instituut. Als een oude sportauto waarbij je elk kiezeltje op het wegdek voelt.

„Ik bedenk nu ook nog dat ik na het eerste jaar van Charlotte meer oog heb gekregen voor de oneindige schoonheid die het leven biedt.”

Zit dat in een formule, in een vlinder die voorbij fladdert, een muziekstuk?

„Het totaal. Het is die…”

Hij moet weer hartelijk lachen. „…die symfonie van het leven waar niemand een programmaboekje van krijgt. Het is alles. Het grijpt allemaal in elkaar.

„Mijn stelling is dat in de wereld alles veel meer met elkaar verbonden is dan we denken. Het is ons hoofd, ons brein, dat probeert alles te scheiden. Het is behulpzaam als we zeggen: we hebben de boom, het gras, het huis. Maar in werkelijk zit het veel ingewikkelder. Waar houdt die boom precies op? En hoe zit dat met die lucht. De wereld is veel meer verstrengeld. Het is aan ons om dat alles te verkennen.”

Bekijk een trailer van het nieuwe VPRO-programma:

Correctie (1 mei 2017): Het schoolvriendje van Dijkgraaf heet Peter Schlebaum, met één e, niet twee. [red.]