De ontheemden uit de nazi-archieven

Geschiedenis

In het Duitse stadje Bad Arolsen liggen 30 miljoen documenten opgeslagen van mensen die tijdens het nazi-regime zijn opgepakt. Nog steeds vragen jaarlijks duizenden mensen informatie op bij de International Tracing Service.

Documenten van ontheemde en vermiste kinderen staan in het archief van de International Tracing Service apart. Foto's ITS

Hotel-restaurant Zum Holländer, in het Duitse stadje Bad Arolsen, is gesloten. Dinsdag is hun rustdag. Zo’n honderd meter verderop, in dezelfde Schloßstrasse, ligt nóg een etablissement dat aan Nederland doet denken, Café Prinzess Emma. De vrouw die koningin van Nederland was, is geboren in dit Sauerlandse stadje, zo’n veertig kilometer ten noordwesten van Kassel. Maar Bad Arolsen is om nog een andere reden bijzonder: hier huist de International Tracing Service (ITS), een archief en documentatiecentrum over de nazi-vervolging en haar slachtoffers. Sinds 2013 heeft het een beschermde status. Het is toen erkend door de Unesco, binnen het programma Memory of the World.

Schuin tegenover Café Prinzes Emma bevindt zich het deel van het archief waar het ITS alle aanvragen voor informatie verzamelt – zo’n drie miljoen in de afgelopen zeventig jaar. Bij die aanvragen zit ook het antwoord van ITS.

Vragen komen vooral van nabestaanden van nazi-slachtoffers, maar ook van overlevenden zelf: voormalige dwangarbeiders, concentratiekampgevangenen, krijgsgevangenen.

Ruim honderd meter verderop, in de Große Allee, bevindt zich het hart van het archief. „Hier hebben we naar schatting 30 miljoen documenten over ongeveer 17,5 miljoen personen”, zegt hoofd van het archief Christian Groh. Naast hem staat historicus Henning Borggräfe, hoofd wetenschappelijk onderzoek. Hij vertelt dat ITS lange tijd hoofdzakelijk een zoekdienst is geweest, gericht op het opsporen van informatie. De laatste jaren is het veranderd in een archief en documentatiecentrum over nazi-vervolging. Borggräfe: „En we stellen ons meer open voor wetenschappelijk onderzoek.”

13,5 miljoen mensen repatriëren

De geschiedenis van ITS begint direct na de Duitse capitulatie, als de geallieerden de ongeveer 13,5 miljoen mensen die door vervolging of de oorlog ontheemd zijn geraakt moeten repatriëren. Velen uit Oost-Europa konden niet terug en voor hen werden mogelijkheden gezocht om te emigreren. Bad Arolsen werd gekozen als locatie voor een centraal bureau dat zich niet alleen bezighield met de registratie van deze displaced persons, maar ook met de zoektocht naar vermisten. Het stadje was ongeschonden uit de oorlog gekomen, telefoon- en telegraafverbindingen werkten nog, en het lag min of meer in het midden van de vier bezettingszones. Het werd de verzamel- en opslagplaats voor alle in beslag genomen of gekopieerde archieven en administraties van concentratiekampen, bedrijven en gemeenten.

Beroep: ‘naaister’, geloof: ‘joods’, neus: ‘normaal’, reden arrestatie: ‘politiek’

Van elke naam die in de verzamelde documenten werd aangetroffen, maakte het ITS een apart kaartje. Het zijn er inmiddels 50 miljoen – één document kan meerdere namen bevatten. De namen zijn in eerste instantie alfabetisch gerangschikt, maar ook nog fonetisch en op geboortedatum. De naam Abramovitsch bijvoorbeeld kent 849 varianten.

Als het ITS een aanvraag voor informatie binnenkrijgt, wordt eerst de kaartenbak geraadpleegd. Die verwijst naar de bijbehorende documenten. „Als een naam niet in de kaartenbak zit, hebben we er geen documenten van”, zegt Groh.

Hij vertelt dat de organisatie voor een ingrijpende verbouwing staat. Die begint over een paar weken. Alle informatie, die zich nu nog in vier gebouwen bevindt, zal worden samengebracht in één, nog te bouwen vestiging. Die komt om de hoek van het hoofdarchief, in de Jahnstrasse. Het gebouw moet in 2020 klaar zijn. Het zal ook de bewaaromstandigheden verbeteren, zegt Groh. „Dit hoofdgebouw bijvoorbeeld is in de jaren vijftig in twee maanden tijd door het Amerikaanse leger als kantoor opgetrokken. Er zijn ramen, en klimaatbeheersing ontbreekt.” Het nieuwe gebouw wordt lichtdicht.

Zsuzsanna V.

In het eenvoudige hoofdgebouw in de boomrijke Große Allee opent Groh een lange rij groene mobiele archiefkasten. Hij pakt een zwarte ordner van een plank en haalt er een willekeurig document uit. Het is een gedrukt ‘inschrijfformulier’ voor concentratiekampen, in dit geval een dat in 1944 in Konzentrationslager Buchenwald is gebruikt. De met pen ingevulde gegevens beschrijven de dan bijna 19-jarige Zsuzsanna V. uit het Hongaarse Pécs, beroep: ‘naaister’, burgerlijke staat: ‘vrijgezel’, geloof: ‘joods’, ras: ‘joods’, opleiding: ‘4e klas burgerschool’, lengte: ‘1,70’, neus: ‘normaal’, haar: ‘bruin’, lichaamsbouw: ‘slank’, mond: ‘normaal’, gezicht: ‘ovaal’, oren: ‘normaal’, ogen: ‘bruin’, reden arrestatie: ‘politiek’. Onderaan, in vet gedrukte letters, staat dat ‘ik’ er op gewezen was dat als er verkeerde informatie verstrekt bleek te zijn er bestraffing wegens valsheid in geschrifte zou volgen.

De documenten zijn niet naar herkomst ingedeeld, maar chronologisch en naar relevantie voor het zoeken naar personen. Groh legt uit: „Anders dan bij een gewoon archief waar de blik eerst is gericht op een overzicht van de bestanden en daarna wordt ingezoomd op archiefeenheden, is hier de kleinste archiefeenheid, het enkele document, het uitgangspunt.” Dat maakt de ontsluiting ervan voor wetenschappelijk onderzoek lastig, ook al is intussen 85 procent van de documenten gedigitaliseerd. Maar het systeem heeft wel als voordeel dat een enkele persoon te volgen is door het nazi-systeem. Zo is Szuszanna V. na haar arrestatie op 18 mei 1944 in het getto van Pécs naar Auschwitz getransporteerd en daar 7 juli 1944 aangekomen, ruim een maand later, op 16 augustus, zat ze in Ravensbrück, om op 7 september terecht te komen bij het Kommando Neustadt/Coburg, een Außenlager van Buchenwald. Daar heeft ze dwangarbeid verricht voor het Siemens-bedrijf Kabel und Leitungswerke Neustadt-Coburg AG. Op 4 juni 1945 is ze bij Pilsen bevrijd. Tot slot maakt een brief met een aanvraag voor documenten duidelijk dat ze in 2008 weer in Pécs woonde en getrouwd was.

De ‘asocialen’

Het archief van ITS is ook voor onderzoek naar groepen te gebruiken, zegt historicus Borggräfe. Zelf deed hij onderzoek naar een groep van 297 mannen die in juni 1938 als ‘asocialen’ waren opgepakt bij de actie Arbeidsscheu Reich. Hij was ze op het spoor gekomen in het gevangenenboek van het politiebureau Steinwache in Dortmund. „Er is nog maar weinig onderzoek naar hen gedaan”, zegt Borggräfe. Deze groep concentratiekampgevangenen was gemarkeerd met een zwarte driehoek op de jas, en bestond vooral uit werklozen en daklozen. „Ze hebben nauwelijks hun herinneringen en biografieën opgeschreven. Ze zijn ook niet erkend als nazi-vervolgden en kregen dus geen schadevergoedingen.”

Op basis van het gevangenenboek bouwde Borggräfe een database op, om die na systematisch onderzoek in de databank van ITS te verrijken met extra persoonlijke gegevens. Alle geografische data stopte hij in een GIS-systeem. „Van bijna negentig procent van de groep kon ik het traject door het nazi-systeem reconstrueren.”

Het oppakken van ‘asocialen’ was onderdeel van een landelijke actie, erop gericht om het deel van de beroepsbevolking dat er in de ogen van de Nazi’s de kantjes van afliep, te disciplineren. Daarbij kwam dat de SS tienduizend extra arbeidskrachten nodig had voor het groeiend aantal productiewerkplaatsen in de concentratiekampen. Ieder politiedistrict kreeg de opdracht tweehonderd ‘asocialen’ op te pakken. Het was een van de eerste gerichte acties tegen joden. In Dortmund had de politie al op 8 juni, vijf dagen voor het geplande begin van de vijfdaagse actie, veertien mannen opgepakt. Aan het einde van de actie waren het er geen tweehonderd, maar 297.

Borggräfe ontdekte opvallende verschillen per stad of dorp. Terwijl in Siegen 21 mannen werden gearresteerd, waren dat er in Hagen, met 140.000 inwoners iets groter dan Siegen, maar acht. In Warburg, met amper tienduizend inwoners, werden dertien mannen opgepakt. In Niedermarsberg werden alleen Sinti en Roma van straat gehaald, in Bad Driburg juist alleen daklozen. Samen met joden waren daklozen, Sinti en Roma sowieso de belangrijkste groep slachtoffers van de actie. Daarom valt het op dat in Altena, Lüdenscheid en Salskotten juist niemand uit deze drie groepen werd opgepakt. „In 1938 had een politiechef nog een grote mate van vrijheid om zelf te beslissen”, legt Borggräfe uit.

Vijftien kampen

Van de 297 ‘asocialen’ in Dortmund zijn er 51 vrijwel meteen weer vrijgelaten. De meerderheid ging op transport. Eerst naar Sachsenhausen, op 300 kilometer het dichtstbijzijnde kamp, maar dat was al snel vol. Daarna naar Buchenwald, dat toen nog voor een groot deel in aanbouw was en ook snel vol raakte. Velen zijn in de loop der jaren vaker op transport gezet. „Eén persoon heeft vijftien kampen van binnen gezien”, weet Borggräfe. „Transport, de aankomst in een kamp en de beginperiode in een nieuw kamp blijken voor de gevangenen de gevaarlijkste perioden te zijn geweest”, zegt hij. Op die momenten werd veel bruut geweld gebruikt, en overleden de meesten.

De asocialen stonden onderaan in de hiërarchie van de gevangenen. Borggräfe: „Andere groepen hadden een vorm van solidariteit, verenigden zich, kregen gevangenenfuncties in de kampen en konden er bijvoorbeeld voor zorgen dat iemand niet op een lijst voor transport werd gesteld. De SS maakte het niet uit wie werd gestuurd, die gaven alleen bevel hoeveel dwangarbeiders ergens moesten worden geleverd.”

Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 is bijna veertig procent van de opgepakten op enig moment weer vrijgelaten, ook joden. Onder andere op Hitlers vijftigste verjaardag. „De nazi’s wilden de joden toen nog zo snel mogelijk het land uit hebben. Ze kregen daarom vaak de gelegenheid om te emigreren.” Daarna werden nog maar weinigen vrijgelaten. „Een deel kwam vrij door dienst te nemen in de Wehrmacht.” Van de 133 man die in 1939 nog in een kamp zaten opgesloten, stierven er 59 in de drie volgende jaren, onder wie alle zeven toen nog overgebleven joden.

Borggräfe heeft gereconstrueerd dat er na 1942 nog 33 gevangenen van de oorspronkelijke 297 over waren, verdeeld over elf kampen. Tussen de hoofdkampen waren er minder transporten. In plaats daarvan waren er transporten naar verschillende Außenlager. Borggräfe geeft het voorbeeld van de ‘zigeuner’ Adolf H., die tussen 1943 en 1944 in twaalf maanden drie keer naar een ander Außenlager van Mauthausen werd overgebracht; hij stierf op 5 mei 1945, een dag voor de bevrijding van Mauthausen.

Van die 33 mannen kwamen er zeven ‘vrij’ door dienst te nemen bij een SS-eenheid. Zeven stierven, en twaalf maakten de bevrijding mee. „De oudste van die twaalf was 63, de jongste 23”, vertelt Borggräfe. Het lot van de overige zeven is onbekend, zegt hij.

Een van de overkoepelende uitkomsten van het onderzoek is dat de overlevingskans voor de groep die direct naar een concentratiekamp werd gestuurd, ongeacht of hij joods, Sinti of Roma was, groter was dan voor de dertig mannen die in eerste instantie snel vrijgelaten en later toch weer opgepakt waren. Voor hen was de bestemming niet Sachsenhausen, maar vernietigingskampen als Auschwitz. Meer dan driekwart van hen is omgekomen.

Inmiddels doen Borggräfe en het ITS ook mee aan People on the Move, een groot onderzoeksproject met de Universiteit Osnabrück en het Nederlandse NIOD. „We onderzoeken onder andere de migratiestromen na de oorlog. Tienduizenden Polen en andere Oost-Europeanen gingen naar België, Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland. Aan de hand van onze gegevens onderzoeken we bijvoorbeeld welke factoren migratie vergemakkelijkten of bemoeilijkten. Het valt op dat alleenstaande vrouwen met kinderen het langst in de kampen voor displaced persons verbleven. Alle landen wilden vooral alleenstaande jonge mannen opnemen. Op deze manier kunnen we ook nog van de geschiedenis leren. Wat gebeurt er als iedereen alleen de besten en sterksten kiest?