Column

De duistere toekomst van Frans links

De Franse sociaal-democraten scoorden bij de presidentsverkiezingen even beroerd als in 1969, schrijft Hubert Smeets. Maar hun problemen zijn nu groter dan toen.

Zie je wel. Ook in Frankrijk zijn de verkiezingen zondag voor de socialisten uitgedraaid op een nederlaag die zijn weerga niet kent. Het verhaal is uit. Het is maar wanneer je de geschiedenis laat beginnen, maar er is inderdaad reden voor grote woorden.

De toestand ter linkerzijde in Frankrijk vertoont gelijkenis met die van vijftig jaar geleden. Na het oproer van mei 1968, toen de klassieke arbeidersbeweging een blauwe maandag broederlijk optrok met de nieuw-linkse jongeren in de universiteitssteden, lag de Franse sociaal-democratie ook al een keer op de knieën. Bij de presidentsverkiezingen van 1969 haalde Gaston Defferre van de Section Française de l’Internationale Ouvrière in de eerste ronde slechts 5 procent. De communist Jacques Duclos overtroefde hem met 21 procent. Samen met de andere radicale mannen kwam links toen uit op 31 procent. Dit debacle zo vlak na mei ’68 leidde in 1971 tot de oprichting van de huidige Parti Socialiste (PS).

Afgelopen zondag pakte het voor links met 28 procent voor vier kandidaten nog iets beroerder uit. PS’er Benoît Hamon is er met 6,4 procent net zo slecht aan toe als de corrupte Defferre destijds, terwijl ex-trotskist Jean-Luc Mélenchon (19,6 procent) zich kan meten met de toenmalige stalinist Duclos.

Het gouden tijdperk van de PS als machtspartij, die in bijna een halve eeuw toch maar mooi negentien jaar in het Élysée zat, is sinds zondag louter nostalgie. Al moet die herinnering ook niet worden overdreven. Tussen 1969 en 2017 schommelden de socialisten tussen maximaal 34 procent (François Mitterrand in de eerste ronde van 1988) en minimaal 16 procent (Lionel Jospin, 2002).

Maar ondanks deze relativering, de toekomst is hoe dan ook duisterder dan in 1969. Niet omdat er geen geslepen machtspoliticus als Mitterrand voorhanden is. Zelfs niet omdat de protestantse sociaal-democratie, met haar voorliefde voor administratieve orde en parlementaire machtsvorming, in het cliëntelistische Frankrijk eigenlijk een ideologisch misverstand is geweest en daarom vaker een prooi was van communisten en ander links volk. Als het alleen aan de Franse abnormaliteit had gelegen, zouden de PvdA en de Labour Party niet ook tegelijkertijd het schip in gaan.

Nee, het verschil tussen nu en toen is de verandering van het links-rechtsspectrum in Frankrijk en elders. De kern van de nieuwe tegenstelling is bekend. Traditionele arbeiders- en middenklassen staan meer en meer tegenover postindustriële creatievelingen. De vaandels aan beide zijden bevatten, naast sociaal-economische eisen, ook culturele slogans, die kunnen worden samengevat met ‘gesloten versus open’. Vandaar dat Mélenchon, anders dan zijn trotskistische en communistische geestverwanten in 2002, weigert op te roepen toch maar op Macron te stemmen.

Kijken: wat je moet weten over Emmanuel Macron, in ongeveer één minuut. Peter Vermaas, onze correspondent in Frankrijk, praat je bij.

Mélenchons neutraliteit jegens Marine Le Pen illustreert een kanteling van het ‘hoefijzermodel’. De uitersten, die elkaar in linkse en rechtse radicaliteit raken, leggen beide intussen zoveel gewicht in de schaal dat het politieke midden zijn wippositie is kwijtgeraakt. Het hoefijzer staat niet langer rechtop, maar ligt op zijn kant. Het hele systeem wiebelt.

De sociaal-democratie is daardoor verpulverd. Ze woekert met een ambivalentie die steeds moeilijker is te verzoenen.

De sociaal-democratie ijvert sinds pakweg 1889 voor individuele verheffing en ontplooiing, maar ziet daarbij wel een rol weggelegd voor de staat. Zolang die staat nationaal was, kon de sociaal-democratie daarmee uit de voeten. Maar nu de nationale staat onder de druk der globalisering verwatert, wordt de ambivalentie steeds onoverkomelijker.

Ziedaar de varkenscyclus der sociaal-democratie.