Recensie

Calvijn was geen massamoordenaar

Johannes Calvijn (1509-1564)

Deze hervormer, aan wie we de predestinatieleer danken, is ook wel vergeleken met Hitler. Ten onrechte, zo blijkt. Twee boeken onttakelen Calvijns reputatie van ‘massamoordenaar’.

Nu dit jaar wordt herdacht dat vijfhonderd jaar geleden de Reformatie begon, verschijnen er uiteraard veel boeken over Luther. Hij was het immers, die met het publiceren van zijn 95 stellingen de godsdienstige, culturele en maatschappelijke revolutie ontketende die een einde maakte aan de hegemonie van de katholieke kerk.

Het lutheranisme, zoals dat zich al spoedig ontwikkelde, was slechts een van de vormen die de Reformatie aannam, en lang niet de radicaalste. Een hervormer als Johannes Calvijn (1509-1564), een generatie jonger dan Luther, brak veel rigoureuzer met het katholicisme en zou buiten de Duitstalige gebieden en Scandinavië ook veel invloedrijker worden. Tegelijkertijd is diens nalatenschap veel meer omstreden en nog sterker vertekend door misverstanden.

Veel van wat negatief wordt geduid als ‘calvinisme’ – een troosteloos en vreugdeloos geloof waarin het leven slechts één tranendal is onder het wrede oog van een tirannieke God – heeft slechts zeer in de verte iets te maken met Calvijn. Dit komt heel sterk naar voren uit Bruce Gordons ‘biografie’ van Calvijns hoofdwerk, Institutio Religionis Christianae (‘Onderwijs in het christelijk geloof’), dat hier bekend staat als de Institutie. Dit boek maakt deel uit van de fraaie reeks Lives of the Great Religious Books van Princeton University Press, waarin ook studies verschijnen over een aantal afzonderlijke Bijbelboeken, het Tibetaanse Dodenboek, de gevangenisbrieven van Bonhöfer, de Belijdenissen van Augustinus, de Bhagavad Gita en Thomas van Aquino’s Summa Theologiae. En Gordon laat overtuigend zien dat Calvijns Institutie – dat in twintig jaar uitgroeide van een bescheiden band tot drie dikke delen – in deze reeks thuishoort.

Apartheidsregime

De Institutie is namelijk niet alleen een dogmatisch handboek, maar tevens een door en door pastoraal werk, dat de gelovigen leerde hoe ze op de juiste wijze konden leven en dat eeuwenlang mensen geïnspireerd heeft. Hoewel sommige Zuid-Afrikaanse theologen Calvijn gebruikten om het Apartheidsregime te legitimeren, was hij voor predikant en politicus Allan Boesak een houvast in zijn strijd tegen datzelfde regime. En in dit opzicht trad Boesak in de voetsporen van iemand als de Zwitserse theoloog Karl Barth, die met Calvijn in de hand het nationaal-socialisme had bestreden en een van de inspirators was van het protestantse verzet tegen Hitler.

Gordon beschrijft niet alleen het ontstaan, de opbouw en de inhoud van de Institutie, maar gaat tevens uitgebreid in op de receptie van het boek sinds het verschijnen van de eerste editie in 1536. Hij plaatst Calvijns werk in de context van diens tijd, en laat zien hoe mensen zich in de eeuwen daarna zich telkens weer op een andere manier verhielden tot deze religieuze tekst.

Wie naar die context kijkt, oordeelt wellicht ook iets anders over de door velen als ‘gruwelijk’ ervaren predestinatieleer van Calvijn, die overigens voortbouwde op het werk van Augustinus. Terwijl de katholieke kerk leerde dat de gelovigen hun plaats in de hemel moesten verdienen, leerde Calvijn dat alleen God bepaalde of je hierin terechtkwam.

In Genève was hij predikant voor Franse vluchtelingen, die ontkomen waren aan de bloedige godsdienstvervolgingen in hun land en vaak alles waren kwijtgeraakt. Velen van hen waren vertwijfeld: was hun ellende de terechte straf van God, was hun leven niet godvruchtig genoeg geweest? In deze context kon de predestinatieleer troostend en geruststellend werken.

Andersdenkenden

Calvijns slechte reputatie berust niet alleen op die doorgaans verkeerd begrepen predestinatieleer. Nog altijd bestaat het beeld dat hij in Genève een theocratie had gevestigd, waarin hij als een Iraanse ayatollah waakte over het naleven van de strikte religieuze regels en andersdenkenden levend liet verbranden.

In de negentiende eeuw schreef Honoré de Balzac dat Calvijn in Genève een ‘religieuze terreur organiseerde’ en in 1936 publiceerde Stefan Zweig een roman waarin Calvijn zo wordt afgeschilderd dat volgens kerkhistoricus Herman Selderhuis ‘zelfs een analfabeet de overeenkomst met Adolf Hitler niet kon ontgaan.’

Later kwam Aldous Huxley nog met het verzinsel dat ‘tijdens het theocratische bewind van de grote Calvijn over Genève een kind in het openbaar werd onthoofd, omdat het zo vermetel was geweest zijn ouders te slaan. En nog maar enkele jaren geleden wist onze eigen Guus Kuijer te melden dat Calvijn ‘ten minste vierhonderd ketters [heeft] laten executeren. Hij was dus geen moordenaar, maar een massamoordenaar.’

Dit beeld van Calvijn als tiran van Genève en bloeddorstige ketterjager is groteske onzin. Calvijn was een vluchteling die pas op het eind van zijn leven burger van Genève werd, en dus nooit deel uit kon maken van het stadsbestuur, laat staan dat hij als dictator kon heersen over deze stadstaat. Bovendien is hij een tijd verbannen geweest, en had hij lange tijd bijzonder weinig invloed. In 1553 was zijn positie zo precair en de tegenstand jegens zijn religieuze opvattingen zo groot, dat hij overwoog Genève te verlaten.

Uitgerekend in dat jaar vond de gebeurtenis plaats die het beeld van Calvijn de ketterjager heeft gevestigd: de terechtstelling van de Spaanse arts Miguel Serveto. Deze werd verbrand omdat hij de Drie-eenheid van God ontkende, iets waarvoor hij ook in het katholieke Vienne al ter dood veroordeeld was en dat een misdrijf was waarop in deze periode, waarin van een scheiding tussen kerk en staat nog geen sprake was, overal in de christelijke wereld de doodstraf stond.

Serveto

Dat Calvijn geen deel uitmaakte van het rechtscollege dat Serveto veroordeelde, kon iedereen allang weten, maar in The Servetus Case reconstrueert kerkhistoricus Frans P. van Stam (1943) heel nauwgezet hoe dit proces verliep, en wat precies de rol van de beruchte reformator was. Die rol was gering: hij identificeerde de naar Genève gevluchte Serveto en schreef op verzoek van het stadsbestuur een theologisch rapport over diens opvattingen.

Uit de processtukken blijkt duidelijk dat Calvijn geen enkele invloed had op het oordeel en vonnis. Bovendien had Serveto hem in zijn laatste boek ernstig gecompromitteerd, en vreesde Calvijn dat ook hij wegens ketterij zou worden aangeklaagd. In onze ogen had Calvijn zich misschien anders en vooral toleranter kunnen opstellen, maar wie hem een ‘massamoordenaar’ noemt, maakt zich schuldig aan een ernstige vorm van geschiedvervalsing.