Column

Afzien

Het was weer Koningsdag, het grootste evenement van het jaar. Dit keer probeerden we ons met een hele sliert de hippe Watergraafsmeer in te wurmen. Ik, de vriendin, de dochter (1), de baby en een bevriend stel met een peuter.

Mijn idee.

Ik dacht de legovoorraad voor een paar euro aan te kunnen vullen met de leftovers van de kinderen van de mensen die daar een koophuis hadden, maar het idee dat ik had van een vrijmarkt bleek compleet achterhaald. We konden de blonde prinsjes en prinsesjes op die kleedjes amper bereiken en toen we dan eindelijk voor zo’n kind met een rood-wit-blauw vlaggetje op de wang stonden, bleek ze behept met een handelsgeest waar ik stil van werd.

„Sorry, ik heb al setjes van 20 euro gemaakt”, zei ze toen ik lukraak wat Playmobil-poppetjes aanwees.

„Je kunt eventueel pinnen.”

Achter het pinapparaat stond haar vader met een glas rosé. Hij bleek een eigen zaak te hebben, dus het was minder griezelig dan ik in eerste instantie dacht.

Iemand zei ‘kibbelingkraam’.

„Ik ga wel”, zei ik groots.

Ik kwam terug met saus op de mouwen, dezelfde iemand zei tegen de dochter: „Jouw vader kan niets.”

Daarna zetten ik en de andere vader de peuter van hem en de dreumes van mij tussen vijftig andere kinderen in een draaimolen. Bij het eerste rondje viel die van mij al uit haar autootje. Ik sprong erin en draaide mijn rondjes mee.

„Dat is dan 2 euro”, zei een man met een halve snor en een geldzak om zijn middel.

„Draaien is draaien.”

Even later betaalde ik 50 cent voor het gebruik van een toilet in een groot huis. De vrouw des huizes zat achter een dienblad vol zelfgebakken cakejes voor de wc. Toen ik betaald had, zette ze een streepje in een schrift.

Op die wc hing een rekje met het complete oeuvre van collega’s Fokke & Sukke. Ik zette me op de pot en nam het Het afzien van 2002 en Het afzien van 2004 door.

Toen ik eruit kwam stond er inmiddels een rijtje. De vrouw gaf me ondanks alles toch een cakeje.

Buiten waren ze een paar meter verder weggedrukt, tot onder de overkapping van de nootjeskraam.

Ik was niet gemist.

Het was inmiddels duidelijk dat het met zo’n lange sliert als de onze onmogelijk was om ongeschonden door de gezelligheid te komen.

We keerden om.

Als ik weer een keer een idee kreeg moest ik dat misschien maar voor me houden.