Column

Robert Pirsig en ‘Kwaliteit’

De deze week overleden schrijver Robert Pirsig betreurde het dat academische filosofen zijn boeken negeerden of hekelden. „Ik vroeg me af waarom”, zei hij in 2006 tegen The Guardian. „Ik vermoed dat het kwam omdat ik erbij bleef dat ‘kwaliteit’ niet gedefinieerd kan worden.”

Hoewel ik allesbehalve academisch filosoof ben, moet ik bekennen dat juist dát aspect bij het lezen van Pirsigs Zen and the Art of Motorcycle Maintenance mij destijds ook hinderde. Ik kan het nog zien aan mijn vele potloodstreepjes bij het begrip ‘Kwaliteit’ (altijd hoofdletter) in de Nederlandse vertaling (Zen en de kunst van het motoronderhoud) van Ronald Jonkers. Ik vond het een mooi boek, vooral de delen over de relatie met zijn zoon, maar bleef tasten naar de betekenis van die ‘Kwaliteit’.

Hij bedoelde harmonie, vrede, balans, las ik in een necrologie. Het is waar dat Pirsig vaak rept van ‘innerlijke gemoedsrust’, maar hij noemt die rust als een middel om ‘Kwaliteit’ te bereiken; ze vallen kennelijk niet volledig samen. Hij noemt ‘Kwaliteit’ ook wel ‘het goede’, maar preciseert dat evenmin.

Misschien ben ik te weinig in zen om het ooit helemaal te begrijpen. Pirsig noemde zich na het verschijnen van zijn boek ‘praktiserend zenboeddhist’ – dat verklaart mogelijk zijn vaagheid op dit gebied.

Wie Zen and the Art of Motorcycle Maintenance wel degelijk serieus nam – misschien omdat ook hij geen academische filosoof was – was essayist Rudy Kousbroek. Hij publiceerde er op 8 maart 1975 onder zijn pseudoniem Leopold de Buch in Vrij Nederland een paginagrote recensie over. Hij noemde het succes van het boek verdiend. Hij beschouwde het als een filosofische verhandeling, opgelost in een roman: „Alleen al om die roman is het een onvergetelijk boek.”

Ik was destijds nieuwsgierig naar de reactie van Kousbroek, omdat hij bekendstond als een scherp criticus van iedere vorm van mystiek denken. Hij schrijft ook in zijn recensie dat hij Pirsigs boek aanvankelijk niet wilde lezen omdat hij dacht dat dit het zoveelste snertboek over zen zou zijn, „want Zen is bij ons nu eenmaal een cultus die uitsluitend aantrekkingskracht uitoefent op mislukkelingen en warhoofden”.

Hij had ook kritiek op het boek, hij zou er hier en daar graag iets aan hebben veranderd. „Het is niet geschreven met de perfectie die er een meesterwerk van zou hebben gemaakt. Vooral in de filosofische passages gebruikt Pirsig een soort populair Amerikaans, een joviaal taalgebruik…”

Maar de mystiek-filosofische lading van het boek liet hij verder rusten: geen woord over die ‘Kwaliteit’. Dat vond ik nogal onbevredigend, want ook al handelt het boek niet louter over zen, Pirsig verwijst nadrukkelijk naar zenboeddhistische meditatiepraktijken; zen was nu eenmaal de voedingsbodem van zijn bestaan. In dat opzicht staat Pirsig naast J.D. Salinger, nog zo’n belangrijke Amerikaanse schrijver.

Wat de in techniek geïnteresseerde Kousbroek vooral aansprak, was Pirsigs pleidooi voor de techniek. „Want Pirsig heeft wel degelijk gelijk als hij de haatgevoelens tegen de techniek afschildert als een Gevaar…” Kousbroek was het met Pirsig eens „dat de techniek […] voortkomt uit precies die bron die door velen wordt aangezien voor de tegenpool van de techniek: artistieke creatie, kunst.”