Column

Laten we stoppen met ‘Koningsdag’

Japke-d. Bouma schrijft elke vrijdag over de taal van deze week. Vandaag: waarom het woord ‘Koningsdag’ maar niet wil beklijven.

Het is nu het vierde jaar dat we het proberen, Koningsdag, maar ik zeg: stop er maar mee, het lukt niet, het slaat niet aan. En dan bedoel ik natuurlijk het woord ‘Koningsdag’. Overal om me heen hoor ik nog steeds mensen zich vergissen en ‘Koninginnedag’ zeggen.

In theorie was het een prima idee om er Koningsdag van te maken toen we in 2013 een koning kregen, maar in de praktijk werkt het niet. We hebben ook al sinds 1890 een koningin op de troon. Dat krijg je niet zomaar uit het collectieve taalgeheugen gepoetst. Het is ook geen fijn woord, Koningsdag. Het klinkt als iets met waterwerken, toiletpotten of een Koningslied – in ieder geval niet als iets waar je bij moet zijn.

Koningen zijn ook gewoon saaier dan koninginnen, ik zeg het maar even zoals het is. Kijk de wereldliteratuur er maar op na: koningen slaan er vaak geen deuk in een pakje boter. Als je de Bijbel, de oude Grieken of Shakespeare leest is de koning eigenlijk altijd de lul, een man achter wiens rug van alles gebeurt zonder dat hij het doorheeft. Of ze zijn al dood zoals BB King, de King of Pop, de Lion King en Elvis.

Koninginnen daarentegen zorgen voor reuring, verderf, gelazer, spanning, sensatie en grootsheid; ik noem een stiefmoeder van Sneeuwwitje, een Koningin van de Nacht of een Guinevere. Het is ook niet voor niets dat er wel een legendarische popgroep is die Queen heette en geen ‘King’.

Ik zeg niet dat dat koning Willem-Alexander een saaie man is, maar een beetje wel natuurlijk. Een hele vriendelijke, warme man die er keihard voor werkt – zoals we deze week ook weer konden zien in het steengoede gesprek met Wilfried de Jong – chapeau. Maar Máxima. Ja, dat is toch wel even een ander verhaal.

Lees hier wat tv-recensent Hans Beerekamp van het interview met koning Willem-Alexander vond: Een koning die geen tv mocht kijken

Want wat een koningin hebben we, jongens. Soms denk ik wel eens: wás Willem er eigenlijk wel? Bij zijn eigen huwelijk, zijn inhuldiging, de skivakanties, de feesten en de staatsbezoeken?

In mijn geheugen zijn het vooral de traan van Máxima, de blauwe jurk van Máxima, Máxima en Armin van Buuren en een hopeloos in haar ogen verdrinkende Barack Obama die om voorrang strijden; geen flauw idee meer wat Willem daar precies deed. Máxima zegt ook dingen. Dat de Nederlandse identiteit niet bestaat, dat haar man soms een beetje dom is en dat alleen een betere verdeling van geld de armoede kan verslaan.

Ik zou dan ook zeggen: we maken er weer Koninginnedag van. Op Prinsjesdag zijn er ook geen prinsjes en daar hoor je ook nooit iemand over. En we voeren ook de commissaris van de koningin weer in, dat is voor die mensen ook een veel leukere baan.

Wat zeg ik: we maken Máxima óók ons staatshoofd. Hebben we er twee, kan ons het schelen. Ook goed voor het quotum van vrouwen op topposities. En als we dan toch bezig zijn, maken we er ook weer 30 april van. Kunnen de toeristen met een Lonely Planet van 2002 ook weer meedoen, kunnen alle oude Koninginnedagspullen weer van de zolders en bij alle ambtenaren stond die datum toch al voor de komende 30 jaar als een vrije dag in de agenda’s. Van 27 april maken we dan Republikeinendag.

Hebben die mensen ook eens een feestje.