NRC checkt: ‘DNA-test kan nagaan of antidepressiva leidden tot suïcide’

Dat zei een oud-rechercheur in de Nieuwsshow op Radio 1, naar aanleiding van de crash van een bus vol kinderen, in 2012 in Zwitserland.

Foto iStock

De aanleiding

In 2012 klapte een bus met Nederlandse en Belgische kinderen op een muur in een tunnel in het Zwitserse Sierre, waarbij 28 personen omkwamen. Een ongeluk, zeiden de Zwitserse autoriteiten lang. Een (zelf)moordactie van de chauffeur, concludeerde de Nederlandse oud-rechercheur Dick Gosewehr in een rapport voor de nabestaanden. In het radioprogramma Nieuwsshow vatte Gosewehr onlangs samen waarom een ongeluk uitgesloten is. De bus reed tot op het laatst 100 kilometer per uur en bleef rijden op het trottoir, ook na een slalom om een parkeerhaven, een manoeuvre die veel vaardigheid en concentratie eist. Daar kwam bij dat de chauffeur privé onder grote druk stond en depressief was. Hij slikte antidepressiva, die soms agressie en zelfmoordneigingen als bijwerking hebben.

Om te achterhalen of de man mogelijk genetisch „extra gevoelig” was voor die bijwerkingen heeft Nederland onlangs op verzoek van de nabestaanden een bloedmonster opgevraagd bij de Zwitsers, voor een DNA-test. Want, zo zei Gosewehr, „door het ontbreken van een bepaald gen kan het gebruik van antidepressiva kwalijke gevolgen hebben”.

We checken of je op grond van iemands DNA kunt vaststellen of die persoon bij het gebruik van antidepressiva een verhoogde kans heeft op bijwerkingen als agressie.

Waar is het op gebaseerd?

Gosewehr verwijst naar forensisch arts Selma Eikelenboom, met wie hij samenwerkt. Eikelenboom treedt geregeld op als getuige-deskundige in rechtszaken waarin verdachten hun geweldsmisdrijven mogelijk onder invloed van antidepressiva hebben gepleegd (in de pers wel aangeduid als de ‘prozacmoorden’).

Ze mailt op verzoek enkele wetenschappelijke artikelen voor de onderbouwing van haar betoog. Dat rust op twee pijlers.

Allereerst zijn er onder mensen die (vaak onverwacht) gewelddadig werden, relatief veel gebruikers van moderne antidepressiva, de zogeheten SSRI’s.

Ten tweede zijn er nogal wat mensen die, door DNA-variaties, de antidepressiva langzamer of sneller afbreken dan gemiddeld. Veel verdachten van gewelddadige misdrijven hebben zo’n variatie in de genen, zegt Eikelenboom: „Ik heb van heel veel van dit soort verdachten het DNA bekeken en ik ben nog nooit tegengekomen dat iemand zo’n variant níét had.”

Eikelenboom wil het DNA van de chauffeur (laten) bekijken op enkele genvarianten die bijgedragen kunnen hebben aan diens gewelddadige ontsporing.

En, klopt het?

Deels. Door het bijhouden van bijwerkingen weten we dat sommige gebruikers van antidepressiva agressief worden. Die kans is het grootst bij het afbouwen van de medicatie; daarmee was de chauffeur bezig ten tijde van de crash.

Vast staat ook dat bepaalde genvarianten, zoals de zogeheten CYP2D6-variant, de afbraak (het ‘metaboliseren’) van antidepressiva in het lichaam vertragen.

Wat niet vaststaat, is of een dergelijke afwijking de oorzaak kan zijn van eventuele agressie bij de gebruiker. In een Australische studie, die Eikelenboom heeft gemaild, hadden de ruim 120 personen die last hadden van agressie inderdaad vaker bepaalde varianten die de afbraak van antidepressiva beïnvloeden.

Dus stel dat in het DNA van de chauffeur de CYP2D6-variant wordt gevonden, wat zegt dat dan? „Dat zou zeggen dat de chauffeur inderdaad behoorde tot de trage metaboliseerders”, zegt Ron van Schaik, hoogleraar farmacogenetica bij de afdeling klinische chemie van het Erasmus MC. „En dus a priori een hoger risico op bijwerkingen had.”

Maar kun je dan ook zeggen dat de chauffeur een verhoogd risico had op de bijwerking agressie?

Alleen als er een samenhang is tussen de hogere concentratie geneesmiddel en deze specifieke bijwerking.

Die samenhang is niet vastgesteld.

Grote studies om dit soort verbanden te vinden zijn lastig uit te voeren, zegt Van Schaik, die zelf ook optreedt als getuige-deskundige. Hij heeft een beperkte studie gedaan met het Lareb, het instituut dat bijwerkingen van geneesmiddelen registreert, over agressie onder antidepressivagebruikers.

In het DNA van de achttien onderzochte gebruikers werden niet meer ‘trage’ genvarianten gevonden dan in de rest van de bevolking. Geen van de gebruikers was een trage metaboliseerder. „Als er een verband was, zou ik twee of meer gevallen verwachten”, zegt Van Schaijk. Zijn studie en die van Eikelenboom geven dus heel andere uitkomsten. Van Schaik: „Onze bevinding sluit een verband niet uit, maar bevestigt het ook zeker niet.”

Conclusie

De twee pijlers onder de bewering van Gosewehr en Eikelenboom zijn stevig: agressie is een mogelijke bijwerking van antidepressiva en er zijn genvarianten waardoor gebruikers die geneesmiddelen anders afbreken. Maar de brug tussen de pijlers is wankel: er is één studie waarbij dit verband wel voorzichtig wordt beschreven, en één studie waarin dit niet werd gevonden. We beoordelen de bewering als half waar.

Praten over zelfdoding kan bij hulp- en preventielijn ‘Zelfmoord? Praat erover’. Telefoon 0900-0113 of www.113online.nl