Recensie

Die rasp, dat is de kunstenaar zelf

Beeldende kunst Zeventig jaar lang schilderde de Oostenrijkse Maria Lassnig het menselijk lichaam. Dat levert een heel fysieke expositie op.

Maria Lassnig, Dame mit Hirn, ca.1990. Olieverf op doek, 125×100cm. Foto Maria Lassnig Stiftung

Je hebt van die kunstenaars wiens timing precies goed is, die spot on in het epicentrum van de kunst rijzende sterren worden. Je hebt er ook die, helaas, net overal achteraan hobbelen. De timing van de Oostenrijkse Maria Lassnig (1919-2014) kon beter. Om te beginnen was ze al rond de veertig toen ze haar vleugels uitsloeg: naar Parijs. Vlak na de oorlog was Parijs nog hot geweest als internationale culturele hoofdstad, maar nu, in 1961, was die vonk al een tijdje gedoofd. Lassnig verbleef er toch nog zeven jaar tot ze naar New York verhuisde, wél the place to be. Maar dan voor conceptuele kunst, minimal art, performances – niet voor schilders als Lassnig.

Bewonderenswaardig dus dat Lassnig volhield. En ze paste zich aan, soort van. Na jaren van abstracties – denk Cézanne, De Kooning – begon ze er een meer realistische stijl die ze American Realism noemde. Een van die werken, een naaktportret uit 1971, is het posterbeeld van haar retrospectief in Essen. Ze poseert met een stok, zittend, achter haar doemt een schim op. Het is haar overleden moeder, en het lijkt wel of die stok onzichtbaar Lassnigs hart doorboort.

Samengesteld door Tate Liverpool toont deze reizende expositie zeventig jaar kunstenaarschap van een vrouw die verschillende stijlen hanteerde maar slechts één echt thema: het bewustzijn van haar eigen lichaam. Dat levert een heel fysieke expositie op, met hoofden, holtes, lichamen die elkaar niet kunnen naderen.

Maria Lassnig, Selbstporträt mit Stab, 1971. Olieverf en potlood op doek, 193×129cm. Foto Maria Lassnig Stiftung

Maar poeh, wat een pittige schilderijen. Dat relatief klassieke posterbeeld, bevallig naakt, blijkt in het museum een uitzondering tussen de radicaal geschilderde zoektochten naar het binnenste van het lijf. Al in 1951 schilderde ze een ruimte vol paarse organen, daarna zelfportretten met een vagina-achtig brein als hoofd, uitpuilende hersenen, afgestompte ledematen. Ze had een heel eigen palet van roze en geel en turquoise, geen lief lente-achtige pastels maar knalkleuren die naar je spuwen. Haar gelaatstrekken schilderde ze grof, het hoofd kaal: omdat haren geen zelfbewustzijn hebben en dus nutteloos zijn. Weg ermee. Dat iemand zo geen enkele esthetische gene heeft, dat kom je niet snel tegen. Zeker niet in zelfportretten.

Keukenspullen

Het is heftig werk, maar niet zonder humor. Neem de afdeling keukenspullen, een bijna vriendelijk zaaltje – bijna dan. Je ziet er een pastamachine, een sauspan, een keukenrasp (Kitchen Bride, 1988). Wie niet beter weet, zou dit keukenstilleven aanzien voor een keukenstilleven. Maar intussen weet je als bezoeker: die rasp, dat is zijzelf. Of misschien is het meer het verlangen om een rasp te zijn, om zich te kunnen verplaatsen naar elders, iets nieuws te worden. Alles wat Lassnig schilderde – de organen, fauteuils, haar overleden moeder – ging over haar zelf. Dus ook een keukenrasp.

Dat maakt dit tot een raadselachtige tentoonstelling. Het verlangen je lichaam te beheersen, of te overstijgen, iets te worden wat je niet bent, dat roept de waaromvraag op. Ook doordat het werk er zo ongeremd uitziet (soms té, de meer gestileerde werken zijn het beste), maar ze nooit echt eenduidig was over haar bedoelingen.

Animaties

Die vaagheid is wel een rem. Verhelderend lijken de filmpjes die tussen de schilderijen draaien. Tijdens een bijbaantje in een animatiestudio in New York, was Lassnig stop-motionanimaties gaan maken van tekeningen. Geintjes zijn het, korte satires over een stel in bed, een man die het over de telefoon uitmaakt, maar ook gezichten die veranderen in machines, filmsterren, haar moeder, als het verlangen om te veranderen.

Maria Lassnig in haar atelier, 2002. foto Bettina Flitner

Het was oorlog thuis, zingt ze op een vrolijk deuntje in het filmpje Kantate uit 1992. Potten en pannen vlogen door het huis, ze was traag op school, kinderen pestten haar, ze vond dat ze door God niet met schoonheid begiftigd was, relaties (waaronder met Arnulf Rainer) liepen op niets uit. Maar, zei ze, ze schilderde beter dan wie ook.

Bedoelt ze dat met de keukenrasp? Dat ze zich bleef herscheppen omdat ze niet aan het beeld van anderen voldeed? Of is het iets anders: een extreme sensitiviteit, empathie met anderen en objecten? Hoe dan ook blijft overal in de tentoonstelling pijn voelbaar, een motor die zorgde dat ze ook tijdens depressies bleef schilderen. In 2005, oud en ziek, schilderde ze zichzelf uitgemergeld in een ziekenhuisbed in stadia van krachteloosheid. Het is een compositie met een lijn die hoofd en lijf scheidt – wilde ze eindelijk van dat lichaam af? Haar medepatiënten in het ziekenhuis hebben dat vast niet zo ervaren. Lassnig, die een grappige en moeilijke vrouw schijnt te zijn geweest, klom daar ’s ochtends om zes uur op een tafel en dwong zo de andere patiënten te luisteren naar haar voordrachten over schilderkunst.

Intussen was wel het succes gekomen: in 1980 was ze doorgebroken. Ze werd op de Biënnale van Venetië getoond samen met de jonge feministische performancekunstenaar Valie Export, waarna schilderkunst een revival beleefde en Lassnig – op haar 61ste – jong en nieuw was. Een stijgende lijn volgde met prestigieuze onderscheidingen en toen ze op haar 94ste overleed had ze nota bene een tentoonstelling in het MoMA in het verschiet.

Maar niet voor ze nog een laatste portret schilderde, te zien in Essen. Een hoogbejaarde naakte Lassnig maakt een schildersgebaar omringd door wit – veel wit, alsof ze daarin gaat oplossen. Maar nog éven haalt ze uit. Ze verheft haar arm boven haar hoofd met een schildersgebaar waar de titel, Selbstporträt mit Pinsel, naar verwijst. Penseel? Het is schematisch, maar lijkt toch meer een mes dan kwast. En de geloken ogen van eerdere portretten zijn nu open, kijken ons aan. Bijna zie je een triomfantelijke glimlach rond haar mondhoeken. Het afscheid van een winnaar.